Omgangsrecht II
Grenzen door
anderen gesteld.
Als we uitgaan van het omgangsrecht als een recht van het kind leert de
praktijk helaas dat het met name bij de jongere kinderen (tot ± 12 jaar) vooral
de ouderlijke onmacht en/of onwil is die grenzen stelt aan de uitoefening van
dit recht door het kind. Ik beperk me hier vooral tot de ouder-niet-voogd; de
oudervoogd komt hierna nog afzonderlijk aan de orde.
Het omgangsrecht van het kind impliceert voor een ouder de plicht voor de
uitoefening van dit recht zo gunstig mogelijke omstandigheden te scheppen. In
rechterlijke beschikkingen wordt die plicht veelal verwoord in een opdracht aan
de oudervoogd mee te werken aan een regelmatig contact tussen het kind en de
ouder-niet-voogd. Maar ook voor deze laatste brengt het omgangsrecht van het
kind verplichtingen met zich mee.
Het betekent in algemene zin dat de ouder-niet-voogd oog moet hebben voor c.q.
rekening moet houden met het kind en zijn wensen; het kind is (ook)
'rechthebbende'. Voorts dient de ouder-niet-voogd zorgvuldig met de
omgangsregeling om te gaan. Hij/zij dient zich correct te houden aan de
gemaakte afspraken. Dit betekent o.a. dat hij/zij het kind op het afgesproken
tijdstip ophaalt c.q. terugbrengt; dit lijkt vanzelfsprekend, maar het is
helaas niet overbodig dit hier nog maar eens nadrukkelijk te vermelden.
Het is onzorgvuldig zonder voorafgaand bericht te laat te komen; het is een
schending van het recht van het kind zonder nader bericht 'gewoon' niet te
komen voor een afgesproken middag, dag of weekend. Het kind later terugbrengen
dan afgesproken moge begrijpelijk zijn: 'het was zo gezellig'. Maar als dit
niet gebeurt in goed voorafgaand) overleg met de oudervoogd (bijv. omdat dit
overleg niet mogelijk is) is dit een onzorgvuldigheid die vooral het kind in
moeilijkheden (loyaliteitsconflicten bijv.) brengt.
Voorts dient de ouder-niet-voogd de opvoedingssituatie waarin het kind
dagelijks verkeert te respecteren. Dit houdt o.a. in: geen laagdunkende
opmerkingen over de oudervoogd, zijn/haar partner en/of opvoedingsmethoden
tegenover of in aanwezigheid van het kind. Het is evenmin verstandig de kritiek
op de opvoedingssituatie bij de oudervoogd tot uitdrukking te brengen door
nadrukkelijk die activiteiten te organiseren of toe te laten die thuis bij de
oudervoogd op grote bezwaren stuiten.
De rug van het kind is niet bestemd voor ouderlijke twisten. Als de
ouder-niet-voogd bezorgd is over de kwaliteit van de verzorging en opvoeding
bij de oudervoogd dan dient hij dit bij voorkeur met die ouder zelf - eventueel
net behulp van een tussenpersoon - te bespreken.
Ruzies, twistgesprekken e.d. in aanwezigheid van de kinderen dienen te worden
vermeden. Deze incidenten zijn lang niet altijd uitsluitend aan de
ouder-niet-voogd te wijten, maar de werkelijkheid biedt te zeggen dat deze
ouder de meest belanghebbende is en derhalve het uiterste moet doen wat in zijn
vermogen ligt incidenten met de oudervoogd in aanwezigheid van de kinderen te
vermijden.
Helaas zijn er oudervoogden die het de andere ouder erg moeilijk kunnen maken.
Een onzorgvuldig optreden van de oudervoogd als hier bedoeld brengt de
uitoefening van het omgangsrecht van het kind in zodanige moeilijkheden dat zij
onmogelijk kan worden. Daarnaast kan dit gedrag van de ouder-niet-voogd een
grond opleveren voor de ontzegging van de uitoefening van het omgangsrecht
omdat hij 'kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in at geacht moet worden de
bevoegdheid tot omgang uit te oefenen' (aldus de formulering van artikel 161,
lid 9, onder c boek l r, wetsontwerp 15.638).
Tenslotte een probleem waarvoor ook wetsontwerp 15.638 geen voorziening bevat
maar wat zich helaas wel voordoet: de oudervoogd wenst geen contact met de
kinderen.
Daargelaten of de leren zo'n contact uitdrukkelijk wel op prijs zouden stellen,
betekent zo'n houding in het algemeen dat aan het kind de uitoefening van een
recht wordt onthouden, die juist in zijn belang wordt geacht.
Ik meen dat het een ouder-niet-voogd niet vrij staat zonder meer een dergelijk
standpunt in te nemen en door te zetten. Er is m.i. aan dit aspect van het
omgangsrecht te weinig aandacht besteed, ondanks klachten daarover van met name
oudervoogden. Ik zie niet in waarom ten aanzien van de uitoefening van het
omgangsrecht door het kind niet dezelfde regels zouden behoren te worden
toegepast als welke voor de ouder-niet-voogd gelden als het gaat om een
mogelijke beperking van zijn omgangsrecht. Anders gezegd:
- het kind kan de uitoefening van zijn omgangsrecht slechts onthouden worden
als de ouder-niet-voogd gegronde bezwaren heeft tegen het onderhouden van dit
contact;
- indien na een echtscheiding een omgangsregeling - vastgesteld in onderling
overleg of door de rechter - door de ouder-niet-voogd niet wordt nagekomen, kan
de ouder-niet-voogd, zonodig met behulp van een dwangsom, aan een correcte
naleving ervan worden gehouden.
Ik wil niet gezegd hebben dat kinderen en/of hun oudervoogden aan dergelijke
regels een dringende behoefte hebben. Wel meen ik dat zij passen in een
evenwichtige regeling waarin wordt uitgegaan van het omgangsrecht als een
bevoegdheid van de ouder-niet-voogd en het kind. Ten slotte leert de praktijk
dat er helaas ouder-niet-voogden zijn voor wie dergelijke regels nuttig zijn,
omdat zij duidelijk maken dat het omgangsrecht niet alleen 'een recht op' maar
ook 'een plicht tot' betekent.