Omgangsrecht I
Het recht van het
kind, gronden en grenzen.
Het behoeft in het licht van de recente rechtspraak en van artikel 8 E.V.R.M.
m.i. geen betoog dat het kind (evenzeer als de ouder-niet-voogd) een recht op
omgang heeft. Bij herhaling is door Nederlandse rechters uitgesproken, dat het
in het algemeen in het belang van het kind is, dat het na een scheiding van
zijn ouders (ook) contact onderhoudt met de ouder die niet met de dagelijkse
verzorging en opvoeding is belast. Evenals ten aanzien van de ouder-niet-voogd
is ten aanzien van het kind in dit verband verwezen naar de natuurlijke band
tussen ouders en kinderen, waaruit de behoefte aan contact zou voortvloeien.
Het lijkt echter nuttig hier wat nader in te gaan op de gronden voor dit
omgangsrecht van het kind, te meer daar de juist voor de rechtspraak ten dezen
belangrijke afdeling familie- en jeugdrechtspraak van de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak zich afvraagt of het uitgangspunt: 'contact met de
ouder-niet-voogd is in principe in het belang van het kind' wel juist is.
De vraag welk belang de minderjarige bij het onderhouden van contact met de
ouder-niet-voogd heeft, wordt vooral beantwoord door de niet-juridische
disciplines. De inhoud van de antwoorden verschilt al dan niet gebaseerd op
onderzoek. Het voert te ver bij de verschillen hier uitvoerig stil te staan.
Ik wil kortheidshalve volstaan met de volgende opmerkingen:
Een kind dat in een gezinsverband met zijn vader en moeder opgroeit zal
emotionele processen doorlopen die voor zijn persoonlijkheidsvorming van groot
belang zijn. In dat verband wordt gesproken over: basisvertrouwen, hechting en
identificatie, zaken die een wezenlijke bijdrage leveren aan de harmonische
ontwikkeling van het kind.
Een scheiding van de ouders betekent voor het kind een breuk in dit proces, die
gepaard kan gaan met o.a. separatieangst en loyaliteitsconflicten. Deze
(mogelijk) negatieve gevolgen kunnen worden beperkt en wellicht zelfs
grotendeels worden vermeden door een goede voorbereiding van de kinderen op de
scheiding. Deze voorbereiding zal zich er mede op moeten richten angst voor
separatie, verlies van basisvertrouwen en verlies van
identificatiemogelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is
het van groot belang dat de rol/de functie die de ouder-niet-voogd tijdens het
samenwonen heeft vervuld zoveel mogelijk door hem vervuld blijft. Gelet op de
fysieke beperkingen van plaats en tijd zal een regelmatig contact de beste
bijdrage tot het vervullen van die voorwaarde zijn.
De Nederlandse gezinsraad meent dat een positieve consequentie
van het onderhouden van contact met de ouder-niet-voogd is: het behoud van een
reële voorstelling van de ouder-niet-voogd waardoor identificatie op reële
basis mogelijk blijft.
Ik ben het daarmee van harte eens en meen dat er zich situaties voordoen waarin
het behoud c.q. het verkrijgen van zo'n reële voorstelling een belangrijk doel
van het streven naar een omgangsregeling kan zijn. Dit geldt in het bijzonder
in die gevallen - gelukkig uitzonderingen - waarin een oudervoogd zijn
negatieve beeld van de andere ouder niet alleen op het kind overbrengt, maar
soms ook jarenlang onderhoudt.
Geheel in overeenstemming met het vorenstaande overwoog het Amsterdamse Hof in
1975: 'dat in het algemeen bij het treffen van een omgangsregeling uitgangspunt
is dat kinderen voor een harmonische opgroei geregeld contact dienen te hebben
met beide ouders zodat zij ook met betrekking tot de ouder die niet met de
voogdij is belast een identificatiemogelijkheid hebben en dat alleen om
bijzondere redenen van dit uitgangspunt, dat een recht is zowel voor de
kinderen als voor de ouders, dient te worden afgeweken'.
Als we de omgang ouder-kind na een scheiding bezien als een recht van het kind
en we willen nagaan welke de grenzen van de uitoefening van dit recht zijn, dan
snijden we een tamelijk ingewikkeld probleem aan. Ik zal trachten de
verschillende aspecten ervan zo goed mogelijk te onderscheiden. Een eerste
onderscheiding kan zijn:
- de grenzen die door de minderjarige zijn - vanuit diens belangen worden
gesteld;
- de grenzen die anderen met name de ouders van het kind aan de uitoefening van
dit recht (kunnen) stellen.
Grenzen door het belang van de minderjarige gesteld.
Aangezien het omgangsrecht vrij algemeen wordt gezien als een wederkerig recht,
een recht van de ouder-niet-voogd en evenzeer van het kind, kan m.i. worden
gesteld dat het ook over en weer verplichtingen tot medewerking schept. Een
kind dient in beginsel aan een omgangsregeling mee te werken. Hetzelfde geldt
voor de ouder-niet-voogd; ik kom op dit punt nog terug.
De verplichting van het kind kent echter haar grenzen. Immers, algemeen wordt
aanvaard dat bij een afweging van de belangen die van het kind de doorslag
behoren te geven. Anders gezegd: de minderjarige is niet onder alle
omstandigheden verplicht tot medewerking.
In wetsontwerp 15.638 werd dit voor de oudere minderjarige ook met zoveel
woorden erkend in de bepaling dat de rechter aan de ouder-niet-voogd de
uitoefening van het omgangsrecht kan ontzeggen (artikel 161, lid 9 onder b.):
'Indien het kind dat twaalfjaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige
bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken' (cursief van mij). Wat
het woordje 'kan' betreft: de rechtspraktijk leert dat Indien een minderjarige
van 12 jaar of ouder grote weerstand heeft tegen contact met de
ouder-niet-voogd een omgangsregeling niet wordt vastgesteld.
De meeste ouder-niet-voogden leggen zich soms met grote moeite neer bij deze
door de minderjarige zelf gestelde grens.
Ik zou overigens in dit verband liever spreken van 'gegronde bezwaren' dan van
'ernstige bezwaren'. Een goed voorbeeld van gegronde bezwaren vormt de
beslissing van de HR 16 april 1982, NJ 1982, 560.
Daarin stelde een 16-jarig meisje geen contact met haar vader te willen 'omdat
hij niet naar haar kan luisteren, geheel van zich zelf uitgaat, steeds oude
dingen weer ophaalt en over haar moeder alleen in negatieve zin spreekt'.
Het gaat bij de oudere minderjarigen, zo leert de praktijk, niet zozeer om de
objectieve ernst van de bezwaren als wel om het waarom van de weigering contact
te onderhouden. Dit zal in een gesprek tussen de minderjarige en de rechter aan
de orde behoren te komen. Aandachtspunt daarbij behoort m.i. te zijn of de
bezwaren inderdaad bezwaren van de minderjarige zelf zijn. Overigens speelt dit
punt in de praktijk niet een beslissende rol.
De stelling van de ouder-niet-voogd, dat de minderjarige door de oudervoogd is
gesouffleerd, snijdt veelal weinig hout. Indien er al een ernstig vermoeden zou
bestaan dat de minderjarige zijn bezwaren vooral ontleent aan de oudervoogd,
dan kan dit hooguit een onderwerp van gesprek zijn.
Blijkt alsdan dat hij/zij zich die bezwaren 'eigen' heeft gemaakt en handhaaft
hij deze, dan maken die bezwaren het vaststellen van een omgangsregeling
zinloos. De minderjarige wenst van zijn recht geen gebruik te maken en gezien
zijn leeftijd kan hij daartoe naar gangbare opvattingen ook niet meer gedwongen
worden.
Minderjarigen, jonger dan 12 jaar, hebben niet het recht hun mening kenbaar te
maken. Dit betekent niet dat zij geen bezwaren tegen de omgangsregeling kenbaar
zouden kunnen maken, maar zij moeten zelf het initiatief nemen, eventueel
geholpen door anderen, door bijv. een brief aan de (kinder-) rechter te
schrijven. Als die helpende derde een van de ouders is, dan worden de bezwaren
helaas nogal eens - met name door de andere ouder - als 'beïnvloedt',
'voorgekauwd' enz. niet serieus genomen.
Een rechter die aanwijzingen heeft dat een kind, jonger dan 12 jaar, bezwaren
heeft, zal daarop serieus moeten ingaan. Zijn dit gegronde bezwaren tegen de
omgang als zodanig of tegen bepaalde aspecten daarvan (er zijn 10- en
11-jarigen die terzake duidelijke en genuanceerde opvattingen kunnen
verwoorden), dan meen ik dat die niet anders moeten worden beoordeeld dan in
het geval zij van een minderjarige van 12 of 13 jaar afkomstig zijn.
Met name in
gevallen waarin heftig over de omgangsregeling - en veelal ook over de voogdij
- wordt gestreden, lopen kinderen een aanzienlijk risico beklemd te raken
tussen de strijdende ouders. In dergelijke gevallen acht ik de mogelijkheid van
aanwijzing van een onafhankelijk vertrouwenspersoon voor de minderjarige, die
ook namens die minderjarige zijn belangen kan bepleiten, een noodzakelijke
voorziening.
Ouders zijn, geflankeerd door hun advocaten, af en toe (gelukkig niet al te
vaak) zozeer met elkaar in een gevecht verwikkeld over een omgangsregeling, dat
over de kinderen nauwelijks nog gesproken wordt. Zij verdwijnen soms geheel in
de kruitdamp van het gevecht. Daargelaten een mogelijk actiever optreden van de
rechter en de rol van de raad voor de kinderbescherming, acht ik in dergelijke
omstandigheden een eigen woordvoerder voor het kind noodzakelijk, omdat óók het
jonge kind een omgangsrecht ontleent aan artikel 8 E.V.R.M.22
In de herbenoemde gevallen brengt artikel 8 E.V.R.M. met zich mee dat de
'protection of the health of the child' aan de uitoefening van het omgangsrecht
(een recht van hemzelf en zijn vader/moeder) beperkingen kan opleggen.
Wetsontwerp 15.638 spreekt in dit verband over 'ernstig nadeel voor de
geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind' (artikel 161, lid 9
onder c boek l BW).
Tegen dit 'ernstig nadeel' is bezwaar gemaakt, omdat het suggereert dat de
ouder-niet-voogd eerst dan de uitoefening van een omgangsrecht kan worden
ontzegd indien het kind er ernstige schade van ondervindt. Dit gaat de critici
van dit criterium begrijpelijkerwijs te ver, de formulering is wellicht ook
minder gelukkig.
Het is een poging om aan te geven dat van een omgangsregeling niet alleen moet
worden afgezien omdat een minderjarige er (nogal wat) moeite mee heeft. Een
echtscheiding is voor de meeste kinderen een gebeurtenis waar zij veelal grote
moeite mee hebben; het onderhouden van contact met de vertrokken ouder is zeker
in het begin niet gemakkelijk (spanningen; afspraken maken; bijstellen enz.;
reizen, halen/brengen, tijdstippen).
Bezien we de praktijk dan gaat het er m.i. om of het belang dat een kind heeft
bij een omgangsregeling ook op wat langere termijn wordt te niet gedaan door de
spanningen waarmee zij gepaard gaat. Kortom: het criterium voor een ontzegging
zou meer in die richting moeten worden gezocht en is alsdan ook in
overeenstemming met het algemeen aanvaarde beginsel dat de belangen van het
kind het zwaarst moeten wegen.