Raadsfalen en corruptie
Wetenschappelijk
onderzoek naar het falen van en corruptie door de Raad voor de
Kinderbescherming
Door prof. Peter Hoefnagels
De rapporten die
rechters bij een echtscheidingsprocedure onder ogen krijgen, vertonen ernstige
gebreken. Daarom bepleit Peter Hoefnagels dat ex-echtgenoten om de tafel gaan
zitten en barrières worden opgeworpen tegen zinloze, geld, tijd en kinderen
verslindende procedures. 'De meest onzinnige en contraproductieve procedure bij
echtscheiding is de gerechtelijke strijd tussen ouders om de kinderen. De
familierechtadvocaat Zonnenberg spreekt van
langdurige, respectvernietigende en geldverslindende procedures'.
Als de ouders
niet tot een overeenkomst komen en een advocaat bereid vinden te procederen,
vraagt de rechter rapport en advies van de Raad voor de kinderbescherming, die
ook weer een rapport vraagt van een psychologisch bureau.
Van tijd tot
tijd vragen advocaten mij een beoordeling van deze rapporten. (G.P. Hoefnagels: Opstellen over rapportage, Assen 1996). Ik
aanvaard deze opdrachten onder het voorbehoud dat ik een onpartijdige expertise
uit- breng. Alle rapporten van de raad die ik onder ogen kreeg - dat zijn er inmiddels tientallen uit bijna alle arrondissementen -
zondigden op een reeks punten tegen het gezonde verstand. Ik noem ze:
Feiten en
conclusies waren niet gescheiden, zelfs niet onderscheiden.
De conclusies
gingen vooraf aan de feiten en functioneerden als vooroordelen.
Conclusie en
advies berustten niet op feiten.
De beweringen en
verwijten uit de scheidingsverhalen van de man en de vrouw werden als feiten
behandeld.
In de
vraagstelling en de rapporten ontbrak stelselmatig aandacht voor het meest
relevante aspect: de psychologie van het scheidingsproces. De aard van het onderliggend conflict, de oorzaak van de oorlogvoering, is
te herleiden tot een onvermogen van beide partijen op een normale manier
afscheid van elkaar te nemen, welk gebrek goed repareerbaar is. Zonder deze
reparatie worden de emoties steeds weer aangezwengeld. Ofschoon het
kernprobleem in zulke gevallen dus bij de ouders ligt, werden de kinderen
psychologisch onderzocht. Noch de raad noch de psychologische rapporteurs gaven
er blijk van iets te weten van de psychologie van het scheidingsproces.
In geen van de
rapporten werd met beide ouders aan één tafel gesproken, ook niet na 1997 toen
de staatssecretaris van justitie, de politieke chef van de raden, op grond van
de vakliteratuur bekend had gemaakt, 'dat de conflicten te herleiden zijn tot
een onopgelost conflict tussen beide ex- echtelieden' en het 'experiment
scheidingsbemiddeling' had opgezet.
Er werden te
hooi en te gras zogenaamde 'indrukken' vermeld die op niets waren gebaseerd.
Het rapport was
een 'feitenpakhuis'. Feiten, beweringen en waardeoordelen werden opgestapeld
zonder dat duidelijk was welke relevantie deze hadden voor de vraagstelling.
Beweringen
werden zo vaak herhaald dat ze voor de lezer die beslissen moet, als feiten
gingen functioneren.
De rechter kon
niet anders dan misleid worden door een onjuiste beeldvorming.
Het rapport was
verhuld of onverhuld partijdig:
de beweringen van de ene partij werden positief, van de andere partij
negatief gekleurd door waardeoordelen, commentaar en rangschikking.
Onderzoeker en
werkleider van de raad hadden, voordat de rapportage begon, ettelijke malen met
één partij contact opgenomen en het advies was navenant. Over de aard en inhoud
van deze contacten werd niets vermeld.
Op de zitting
vroeg de rechter aan de raadsmedewerker wat de raad vond van de kritiek op de
partijdigheid, waarop geantwoord werd dat 'de raad in zulke zaken wel partijdig
moest zijn'.
De macht van de
onderzoeker van de raad werd door één partij aan de orde gesteld, maar de
onderzoeker gaf er geen blijk van te begrijpen dat hij macht had. Door de
partijdige rol van de onderzoeker werd de rol van de andere partij 'defensief, hetgeen in het rapport dan weer verweten werd.
Als één ouder
het omgangsrecht van de andere ouder eenvoudig weigerde, ook tegenover de raad,
informeerde de raad de ouder niet dat (sinds 1990) omgang van rechtswege moet
plaatsvinden.
Toen één van
partijen, na vermindering van zijn omgangsrecht tot een minimum, aan de raad
zei, recht tot in hoogste instantie' te zoeken, stelde de raad dat deze partij 'niet wil meewerken' en wijzigde alsnog het advies door deze
partij het gezag over een ander kind te ontnemen. Dit misbruik van macht werd
in het rapport beschreven alsof het normaal was.
De partijdigheid
van het psychologisch rapport werd ondersteund door de
partijdigheid van het raadsrapport. Het vermoeden rees dat deze rapporten in
nauw overleg tussen beide instellingen tot stand waren gekomen. Dit was echter
niet in de rapporten gemeld, zodat het kon lijken alsof twee onafhankelijke
deskundigen tot dezelfde conclusie waren gekomen
In alle gevallen
waarin expertise over de rapporten werd uitgebracht, oordeelde de rechter
contrair aan het advies van de raad en de psychologische instelling. Ook als de
rapporten door de attentie en goede neus van de advocaten een negatieve
selectie waren (wat ik zou willen geloven, want er zijn ook bekwame
raadsmedewerkers), dan nog gaat het hier om elementaire fouten die niet gemaakt
mogen worden, waardoor de rechter misleid wordt en waarvan tientallen ouders en
honderden kinderen het slachtoffer zijn.
Het is
natuurlijk ook mogelijk dat zulke rapporten wel representatief zijn, want ze
zijn goedgekeurd door verantwoordelijke chefs, werkleiders en unithoofden van de raden, en de adviezen zijn erop
gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de rapporten van psychologische instellingen,
voor de indiening waarvan de raad verantwoordelijk is. Dezelfde aanwijsbaar
ondeskundige rapporteurs schrijven meer rapporten.
Psychologische
rapporten over de kinderen slaan trouwens nergens op; de ouders zijn verkeerd
aan het scheiden, aan de kinderen ligt het niet. De fouten tegen de rapportage
en tegen de psychologie van het scheidingsproces zijn bovendien in strijd met
de beleidsdoelen van het ministerie van justitie: bij echtscheiding geldt het
primaat van de overeenkomst en de bemiddeling.
Zelfs als er ook goede rapporten gemaakt worden, dan nog zijn ze
onnuttig, vragen ze meer tijd dan een kinderleeftijd verdraagt en aggraveren ze de strijd tussen de ouders. De rechter kan sneller,
met minder risico's en minder nadeel voor de kinderen zelf meteen beslissen,
als ouders het niet eens zijn.
Ouders zijn, ook
na echtscheiding, verantwoordelijk voor elkaars
relatie met de kinderen. Overeenkomsten zijn in het familierecht normaal en
dienen dat ook te zijn. De wetgever, de rechter en de Nederlandse Orde van
Advocaten dienen dan ook barrières op te werpen tegen dit soort zinloze, geld,
tijd en kinderen verslindende procedures.
Peter
Hoefnagels is emeritus hoogleraar familierecht en scheidingsbemiddelaar.
Dit is een bewerking van een lezing die hij op 2 december hield voor de
Vereniging van Personen- en Familierechtadvocaten.