Het gezin als gevangenis
Waarom Nederland niet wil weten dat er elk jaar vijftig `Rowena's'
zijn.
door Danielle Pinedo
Doet de
Nederlandse overheid genoeg tegen ouders die hun kinderen mishandelen? Over
brandende sigarettenpeuken, een jaar wachttijd en het taboe op staats- opvoeding.
Als kind had
Karin Vermeulen (29) nachtmerries. Dan was ze getuige van marteling. Of stond
ze in de frontlinie van een oorlog. ,,Er was
dreiging'', herinnert ze zich. Gevaar. Angst. ,,Mijn
onderbewuste draaide 's nachts overuren.'' Maar ook overdag voelde zij zich
niet veilig.
Zodra haar vader
de oprijlaan opkwam, ruimde haar moeder in sneltreinvaart de kamer op. Op het moment dat hij de sleutel in het slot stak, was de televisie
uit en zaten zij en haar broer kaarsrecht op de bank.
Ze waren met zijn
vieren thuis. Zij, haar oudere broer, haar moeder en haar vader, die directeur
was van een goedlopend automatiseringsbedrijf. Alles draaide om hem. De aanblik
van een rondslingerende schoen was soms al voldoende voor een scheldpartij. Of
een lege voederbak naast een hondenmand. Dan schreeuwde haar vader naar haar
moeder. Dat ze niet kon koken, dat ze dom was, dat ze niets van haar leven
terechtbracht. Een enkele keer kwam het tot fysiek geweld. Maar dat was 's
nachts, buiten het blikveld van de kinderen.
Vermeulen woont
nu in een middelgrote gemeente in midden-Nederland.
Na de heao-opleiding communicatie schreef zij zich in voor een opleiding
alternatieve geneeswijzen in de hoop dat ze op den duur een eigen praktijk zou
kunnen beginnen.
Als kind van
acht kwam Vermeulen met haar broertje na school vaak thuis in een leeg huis.
Dan was haar moeder op de golfbaan: ,,Daar kon zij
zich bewijzen, daar werd ze gerespecteerd.''
Haar vader was
eigenlijk heel kwetsbaar. Hij kwam, toen ze twaalf was, 's nachts weleens bij haar uithuilen. Vermeulen gaf hem op zo'n moment advies, vervulde de ouderrol. Dan raadde ze hem
bijvoorbeeld aan om zich opener op te stellen tegenover haar moeder. Te zéggen
dat hij het fijn vond als zij hem aanraakte. ,,Ik
voelde zijn kwetsbaarheid heel goed aan. Dat gaf mij een machtsgevoel, maar het
klopte niet.''
Dat haar leven
thuis anders was dan dat van leeftijdsgenoten begon Vermeulen pas te dagen toen
ze puber was. Met steeds meer tegenzin ging ze na schooltijd naar huis. En toen zij via haar huisarts in contact kwam met een
psychiater - ze was zeventien - ontdekte zij hoeveel zij tekort was gekomen.
,,Als ik mijn ei kwijt wilde'', zegt Vermeulen, ,,moest
ik zorgen dat ik een goed verhaal had. Ik moest veel moeite doen om aandacht en
liefde van mijn moeder te krijgen.''
Wat Vermeulen
overkwam heet kindermishandeling, al neemt ze de term zelf niet graag in de
mond. ,,Dat riekt al snel naar daders en slachtoffers
en ik denk niet graag in die termen. Ouders hebben óók hun voorgeschiedenis, vaak
wéten ze gewoon niet beter.''
Maar in het
standaardwerk over kindermishandeling - Wie zal de opvoeders opvoeden?
Kindermishandeling en het recht van het kind op persoonswording (1999) - heet
het overdag alleen achterlaten van een kind `fysieke verwaarlozing'. Wanneer de
ene ouder meermalen minachtende opmerkingen maakt over de ander, het kind
consequent genegeerd wordt of de ouderrol moet vervullen, is volgens auteur Jan
Willems sprake van `emotionele maltraitering'.
Beide varianten
vallen onder kindermishandeling, waartoe ook lichamelijke mishandeling
(veelvuldig schoppen en slaan), lichamelijke verwaarlozing (onthouden van
voedsel, kleding, medicijnen) en seksueel misbruik worden gerekend.
Naar schatting
van de Raad voor de Kinderbescherming worden elk jaar 50.000 kinderen in
Nederland mishandeld. Vijftig van hen overleven die mishandeling niet, zegt
diezelfde raad.
Dat klinkt als onwaarschijnlijk veel. Maar als je je
baseert op schattingen van Amerikaans onderzoek, gaat het om 80.000 gevallen
per jaar, meent Jan Willems, docent internationaal
recht aan de Universiteit van Maastricht. Feiten ontbreken.
In Nederland is
- afgezien van een studie naar seksueel misbruik onder meisjes, eind jaren
tachtig - nooit grootschalig onderzoek verricht naar kindermishandeling. ,,Die vijftig overleden kinderen werden dood geslagen, of
stierven door verwaarlozing'', zegt Willems. ,,Maar we weten niet hoeveel baby's door een gebrek aan
koestering overlijden. Of hoeveel kleuters verdrinken als gevolg van een
consequent gebrek aan toezicht. En de vraag is of die gevallen als
kindermishandeling worden herkend.''
Een enkele keer
haalt kindermishandeling de krantenkolommen. En dan valt het bericht in de
categorie van `ongelooflijke verhalen, uitzondelijke
incidenten'. Zoals een Haagse moeder die vier jaar geleden haar driejarige
dochter zó had verwaarloosd, dat zij kon praten noch lopen en nog nooit naar
buiten was geweest.
Een baby uit Zoetermeer - binnen een half jaar vier keer opgenomen in
een ziekenhuis, de laatste keer met hersenletsel. Pas na de vierde keer hield
de politie de twintigjarige vader aan die de baby had mishandeld.
Of de zaak-Rowena Rikkers: in augustus
vorig jaar vond een visser bij Hoek van Holland haar hoofd. Het vierjarige
meisje is volgens het openbaar ministerie door haar stiefvader en moeder
mishandeld en uiteindelijk in stukken gesneden - komende week begint de
rechtszaak.
Het incident in
Roermond. Een vader bekende dat hij na een ruzie met zijn vrouw het huis in
brand had gestoken. Zes kinderen kwamen daarbij om.
Grote
gedogen
Over
kindermishandeling staat een ding wél vast. Burgers en hulpverleners vragen
steeds sneller advies of raad als zij vermoeden dat een kind wordt mishandeld.
Kwamen er bij de
veertien Advies & Meldpunten Kindermishandeling (AMK's)
in 1997 nog 8.438 telefoontjes binnen van bezorgde buren, leraren, en artsen,
vorig jaar was dat aantal verdubbeld tot 16.791. Maar het is een misvatting op
basis van deze cijfers te concluderen dat kindermishandeling in Nederland is
toegenomen, zegt Gert van Harten, directeur van het AMK in Gelderland. ,,Nee, de bereidheid om over kindermishandeling te praten
neemt langzaam toe. Het grote gedogen is voorbij.''
In de meeste
gevallen (éénvijfde) gaat het
om lichamelijke mishandeling. Hersenbeschadiging. Oogletsel. Oorschade.
Gebroken botten, brandwonden, uitgedrukte sigarettenpeuken. Zo weet Van Harten
dat een baby van zeven weken met zeven botbreuken allang geen zeldzaamheid meer
is in Nederland.
Seksueel
misbruik staat met 18,5 procent op de tweede plaats, gevolgd door emotionele
verwaarlozing (17,5 procent). Er worden iets meer vermoedens over mishandeling
bij meisjes dan bij jongens geuit. In het merendeel van de gevallen gaat het om
kinderen in de leeftijd van drie tot elf jaar.
Ondanks het
stijgende aantal adviezen en consulten (die anoniem mogen worden gegeven door
de meldpunten) bleef het aantal meldingen van kindermishandeling - jaarlijks zo'n vijf- ŕ zesduizend - vrij constant. Meldingen worden
altijd grondig onderzocht door de meldpunten.
Blijkt dat er
sprake van mishandeling is, dan zoekt zo'n meldpunt
hulp. Voor hulp zijn mishandelde kinderen - maar ook hun ouders - aangewezen op
de jeugdzorg, de Geestelijke Gezondheids Zorg-instellingen
(GGZ) en het algemeen maatschappelijk werk. Alleen slachtoffers van seksueel
misbruik kunnen een beroep doen op speciale voorzieningen, zoals
lotgenotengroepen.
In de twee jaar
dat ze bestaan zijn de meldpunten een tamelijk effectief instrument gebleken om
kindermishandeling in een vroegtijdig stadium op te sporen. Maar de bureaus
dreigen aan hun eigen succes ten onder te gaan; alle
meldpunten kampen met wachtlijsten.
Over de
wachttijden doen de bureaus geheimzinnig, maar ingewijden constateren dat het
soms een jaar duurt voordat iemand geholpen wordt. Onderzoek van het Landelijk
Platform Jeugdzorg vorig jaar onderstreept dat: maar liefst 93 procent van de
meldpunten vindt dat de wachttijden bij de overdracht van een mishandelingszaak door jeugdzorg of de Raad voor de
Kindermishandeling ,,onaanvaardbaar'' of ,,alarmerend''
zijn.
In de praktijk
blijkt dat het hulpaanbod weinig samenhangend is en sterk afhankelijk van
personen. Daardoor kan mishandeling binnen een gezin soms jarenlang voortduren,
omdat alle partijen ervan uitgaan dat `de andere instantie' het probleem wel
zal aankaarten.
Zo was het Roermondse gezin al jaren bekend bij hulpverleners - de Riagg, de jeugdzorg, de kinderbescherming, ja zelfs bij de
burgemeester. Ze waren er allemaal bij betrokken, maar ,,wat
mensen doen, heb je niet in de hand'', reageerde de burgemeester.
Opmerkelijk is
dat het nieuwe kabinet een staatssecretaris van gezinszaken heeft aangesteld en
in het `strategisch akkoord' erkent dat kindermishandeling een maatschappelijk
probleem is.
Het kabinet
streeft naar ,,een verbetering van preventie en
repressie van kindermishandeling en van zedendelicten ten aanzien van
kinderen''. Met welke maatregelen, dat is aan de nieuwe minister en
staatssecretaris. Ex-Kamerlid Els Meijer (VVD) spreekt van ,,een
absolute doorbraak''. In de vorige regeringsperiode bleek het nog niet eens
mogelijk een algemeen overleg over het onderwerp te organiseren.
Kindermishandeling
is geen onderwerp waar je in Den Haag mee kunt scoren, zegt vrijgevestigd
psychiater Andries van Dantzig.
Als voorzitter van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK)
heeft hij de Tweede Kamer de afgelopen twee jaar bestookt met folders om het
thema op de politieke agenda te krijgen. Kinderen zijn volgens de psychiater
een onderdrukte minderheid.
Vorige maand had
Van Dantzigs actie resultaat. Het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport zegde een bedrag van 750.000 euro toe voor
een proefproject waaraan schoolartsen, huisartsen en consultatiebureaus gaan
meedoen. ,,Zij moeten de intellectuele en emotionele
voortgang van kinderen nauwgezet gaan volgen'', zegt Van Dantzig.
Koffiemok
Het is
dinsdagochtend als vrijwilligster Ria Hulsmeijers haar fiets tegen het huis aanzet van Chris Ikkink (32). Chris Ikkink is
bijstandsmoeder. Drie kinderen heeft ze (13 jaar, 4 jaar en 3 maanden). Ze
woont in een volkswijk aan de rand van Hengelo.
Van mishandeling
is in het gezin van Ikkink geen sprake, maar ze
behoort volgens hulpverleners tot een risicogroep. Daarom krijgt ze wekelijks
bezoek van een vrijwilliger van Home Start, een project dat is overgewaaid uit
Groot-Brittannië.
Vorig jaar
bezochten 940 vrijwilligers van de organisatie elke week 1.410 gezinnen. Deze
gezinnen hebben veel gemeen. Constanten zijn alleenstaand ouderschap, een
slechte financiële situatie, alcohol- en drugsverslaving of ouders die in hun
jeugd zelf mishandeld zijn.
,,Hou is het nou met je?'', vraagt de vrijwilligster Ria Hulsmeijers aan Ikkink.
,,Hij ontkent het'', zucht Ikkink, terwijl
zij Hulsmeijers een koffiemok in handen drukt.
,,Hij ontkent wat?''
,,Dat hij Sjors verwekt heeft. Hij is zwaar
in ontkenning.''
,,Je hoort nooit wat van je ex?''
,,Jawel, maar als hij komt, maakt hij problemen. Zelfs als ik er niet
ben. Dan tref ik bij thuiskomst een kapotte wasmolen aan. Of een lekgeprikte
fietsband.''
,,Hij treitert...''
,,Ja, Anton is geen lieverdje. Hij is klein
van stuk, maar ontiegelijk agressief. En
onvoorspelbaar. Ik ben wel eens bang dat hij de deur intrapt, Sjors uit de box grist en wegvlucht naar het buitenland.''
,,Heb je daar aanwijzingen voor? Heeft hij daarmee gedreigd?''
,,Nee. Maar hij doet er alles aan om mij op de kast te jagen. Koopt
de kinderen om met dure cadeaus. Mama heeft geen geld, zegt hij dan. Kom maar
bij papa wonen.''
Ikkinks kinderen hebben allemaal een andere vader. Met twee van hen
onderhoudt de Hengelose contact. Met de derde leeft zij op voet van oorlog.
Maar geen van de vaders bemoeit zich intensief met de opvoeding van zijn kind.
,,Ik heb geen werk, mijn ouders zijn overleden toen ik jong was en ik
heb weinig vrienden'', verzucht Ikkink. ,,Daardoor leef ik tamelijk geďsoleerd. Dan weet je op het
laatst niet meer waar je het zoeken moet, hoor. Dan ben je rijp voor een
inrichting.''
De ontmoetingen
tussen Ikkink en Hulsmeijers
zijn nooit spectaculair - ,,We doen de afwas, of
kletsen wat op de bank'' - maar de Hengelose zegt er veel baat bij te hebben. ,,Het is fijn als iemand van buiten met je meedenkt en zegt
dat je het - gegeven de situatie - goed doet.''
Ze praten veel.
Over Ikkinks lichamelijke conditie (,,Een kopje
afwassen is me al te veel''), over haar slechte financiële situatie (,,Ik moet
rondkomen van 60 euro in de week, ik kan geen kant op'') en over haar
vluchtgedrag (,,Ik wil emigreren, dit land is mij te
drukbevolkt''). De opvoeding komt alleen zijdelings ter sprake, bijvoorbeeld
als een kind opvallend gedrag vertoont.
Zo legt Ikkink aan het bezoek uit dat vierjarige Chantal zich normaal niet zo voorbeeldig gedraagt. ,,Als we alleen zijn, knalt ze na schooltijd de deur open en
begint te commanderen.''
,,Misschien kan je het ook anders bekijken'', oppert Hulsmeijers.
,,Een kind wil zich gewoon afreageren. Jíj bent toch
de volwassene?''
Ikkink schudt haar hoofd. ,,Nee, dat lukt mij
niet. Ik ben altijd moe, moe, moe. En geloof me, Chantal
kan meedogenloos zijn. Juist als ik mij klein voel, pakt ze me. Ze weet mijn zwakke
plek feilloos te vinden.''
Staatsopvoeding
Dat Home Start
een van oorsprong buitenlands project is, is niet toevallig. In Nederland
heerst van oudsher de opvatting dat opvoeding van kinderen geen overheidstaak
is. Dat ingrijpen in opvoeding de rechten en vrijheden van ouders aantast.
In vergelijking
met andere westerse landen neemt Nederland daardoor een te afwachtende houding
aan waar het de bescherming van kinderen betreft, zo concludeerde onderzoeker
A. Veldkamp vorig jaar in zijn onderzoek Over grenzen. Waar België, Engeland,
Ierland, Nieuw Zeeland en Duitsland hun aandacht de afgelopen jaren verlegden
van repressie naar preventie van kindermishandeling, blijft de Nederlandse
overheid krampachtig vasthouden aan de uit het begin van de twintigste eeuw
stammende wetgeving over jeugdbescherming.
Anders dan in de
Scandinavische landen is de `pedagogische tik' in Nederland nog altijd niet
verboden. En hebben artsen vooralsnog geen meldplicht als blijkt dat hun
patiëntjes thuis mishandeld worden. Ook opvoedingsondersteuning wordt al snel
als een ongewenste vorm van staatsbemoeienis beschouwd.
En dat is
jammer, vindt Veldkamp, want ,,de maatregelen hebben
juist tot doel te voorkomen dat kinderen in omstandigheden komen die
overheidsinterventie (...) noodzakelijk maken''.
Anders dan in de
Verenigde Staten, waar president Bush in april opriep
tot een jaarlijkse National Child
Abuse Prevention Month voelt de Nederlandse regering vooralsnog weinig voor
structurele preventieprogramma's. Op het gebruik van de term
`kindermishandeling' rust zelfs onder hulpverleners een taboe, constateert Jaap
Doek, hoogleraar jeugdrecht aan de Vrije Universiteit.
Doek is
voorzitter van een internationale commissie die toeziet op naleving van het VN-verdrag voor de rechten van het kind, dat in Nederland
in 1995 van kracht werd. ,,Kindermishandeling is een impliciet-beschuldigend woord dat niet apelleert
aan de Nederlandse gewoonte om met verkleinwoordjes problemen hanteerbaar te
houden.''
`Opvoedingsproblemen'
klinkt een stuk neutraler. En het is dan ook niet verwonderlijk dat juist onder
die noemer de afgelopen jaren een aantal projecten ter voorkoming van (onder
meer) kindermishandeling van start ging.
Zo
experimenteert de universiteit van Leiden met wijkverpleegkundigen die een paar
maanden lang ouders met opvoedingsproblemen bezoeken. De universiteit van Wageningen doet intussen onderzoek naar het effect van
Moeders Informeren Moeders (MIM), waarbij vrouwen uit het hele land worden
gekoppeld aan ,,sociaal geďsoleerde'' gezinnen uit een
vergelijkbaar milieu.
Van God
los
Over de gevolgen
van kindermishandeling wordt ondertussen steeds meer bekend. Kindermishandeling
kan op den duur leiden tot concentratieverlies, psychosomatische klachten,
drugs- en alcoholverslaving, relatieproblemen en - in extreme gevallen - tot
zelfmoord of een posttraumatische stressstoornis (PTSS).
Ook zijn er de
laatste jaren steeds meer aanwijzingen dat kindermishandeling de ontwikkeling
van de hersenen negatief kan beďnvloeden. Amerikaanse onderzoekers stelden vast
dat de linkerhersenhelft van volwassenen die in hun jeugd mishandeld waren
onvolledig ontwikkeld was, met als gevolg zowel cognitieve, sociaal-emotionele
als gedragsmatige stoornissen.
Bij Karin
Vermeulen werd, toen zij het ouderlijk huis verlaten
had, een zware depressie vastgesteld. ,,Ik had een
kamer gehuurd in een oud, vies studentenhuis met allemaal kunstzinnige types.
Ik voelde niets meer, at niets meer, hing de hele dag voor de tv en raakte
verstrikt in destructieve relaties. Ik kopieerde wat ik al die jaren gezien
had.''
Van God los - zo
omschrijft ze haar gevoel in die tijd. ,,Ik weet nog
dat ik dacht: als er een pil is, slik ik hem. Ik voelde me zó nutteloos, leeg
en donker in die tijd.''
Na een zes jaar
lange conventionele therapie kwam Vermeulen in contact met een biodynamisch therapeute. ,,Die
leerde mij dat je de pijn van toen eerst moet kunnen voelen, voor je schoon
schip kunt maken. Dat was mijn redding, anders was ik er niet meer geweest.''
Ze beschouwt zichzelf nu als ,,een gevoelig, maar
emotioneel rijk mens''.
In de winter
trouwt Vermeulen met haar vriend en als alles volgens plan verloopt, krijgt zij
volgend jaar haar eerste kind. ,,Mijn kinderen wil ik
vooral openheid bijbrengen'', zegt zij gedecideerd. ,,Ik
wil niet dezelfde fouten maken als mijn ouders.'' Haar advies aan toekomstige
ouders die als kind zelf mishandeld zijn: je bewust worden van je eigen pijn. ,,Dat is de enige manier om de cyclus te doorbreken.'