Een stok achter de deur hebben wij niet.
De inspectie legt het af tegen de weerbarstige werkelijkheid.
De jeugdzorg is
volop in beweging. De afgelopen jaren is de Regie in de jeugdzorg op de rails
gezet en op termijn komt er, zoals in het regeerakkoord is aangekondigd, een
nieuwe Wet op de jeugdzorg.
De bedoeling van
deze veranderingen is dat instellingen en hulpaanbieders afgerekend worden op
hun resultaten. De dienst die namens de overheid een oogje in het zeil houdt,
is de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming - inderdaad een hele mond
vol.
Haar werkterrein
beslaat het gehele gebied van de jeugdzorg. Van ambulante jeugdhulpverlening,
pleegzorg en
(semi-) residentiële voorzieningen tot rijks- en
particuliere justitiële jeugdinrichtingen.
Haar taak is
evenmin kinderachtig: ze houdt toezicht op de naleving van de wet- en
regelgeving, vergaart informatie ten behoeve van de beleidsmakers en bevordert
de kwaliteit van de jeugdzorg.
De vraag is
echter of zij ook voldoende toegerust is om de jeugdzorg in het nieuwe
millennium adequaat te controleren.
Wie wel eens een
blik werpt op de jaarverslagen van de Inspectie jeugdhulpverlening en
jeugdbescherming, krijgt gemakkelijk de indruk dat er in de jeugdzorg het
nodige mankeert en dat het er, plat gezegd, barst van de misstanden.
Klachtenregelingen voldoen volgens de dienst niet aan de wettelijke
vereisten, het recht op inzage en afschrift is niet goed geregeld, de
onafhankelijkheid van de plaatsingsfunctie is niet duidelijk vastgelegd, het
beleid rond seksueel misbruik schiet tekort, het dossierbeleid is niet
adequaat, enzovoort.
Toch is die
impressie volgens hoofdinspecteur Regine Aalders, die in de monumentale nieuwbouw van VWS, midden in
de Haagse binnenstad resideert, niet correct.
"Zelf heb ik het idee dat we met z'n allen
beslist vooruitgang boeken.
Dat instellingen
hun beleid helderder formuleren dan voorheen, dat men meer openheid jegens de cliënten betracht en dat er een duidelijk streven
waarneembaar is naar kwaliteitsverbetering van de zorg.
Bovendien
constateren we zelden dat een instelling of een bepaalde sector over de gehele
lijn onder de maat is. In de regel gaat het om een bepaald onderdeel van hun
beleid."
Het toezicht op
de kwaliteit van de jeugdhulpverlening is door de wetgever in handen gelegd van
de inspectie. Tot voor enkele jaren terug hield de dienst zich alleen bezig met
de jeugdhulpverlening, maar sinds 1994 mag zij ook het toezicht op de
jeugdbescherming tot haar taken rekenen.
Om haar
werkzaamheden uit te voeren is het land in vier regio's onderverdeeld, met elk een
regiokantoor (Haarlem, Zwolle, Rijswijk en Den Bosch), terwijl de aansturing
vanuit het hoofdkantoor in Den Haag gebeurt. Ambtelijk valt de inspectie onder
het ministerie van VWS, maar beleidsmatig is zij tevens verantwoording schuldig
aan de minister van Justitie.
Daarnaast
rapporteert zij aan de provincies en de drie grote steden die per slot van
rekening het geld op tafel leggen voor de regionale jeugdhulpverlening.
De taakstelling van de inspectie komt er in enkele trefwoorden op neer dat zij
toetst, oordeelt en aanbevelingen doet.
Zij let erop dat
het beleid van instellingen voldoet aan de door de overheid vastgestelde wet-
en regelgeving. Volgens Aalders houdt de inspectie
vooral goed in de gaten hoe de hulpverlening door de instellingen geregeld
wordt. Op welke noemer een cliënt in een instelling
binnenkomt en hoe het hulpverleningsplan ingevuld wordt.
Maar ook hoe de
hulp beëindigd wordt en de nazorg geregeld is. Daarnaast ziet zij erop toe dat
de rechtspositie van cliënten gewaarborgd is.
Een opvallend afwezig element in de drieledige taakopvatting is de mogelijkheid
om beleid af te dwingen.
De
hoofdinspecteur bevestigt dat ook. "Anders dan de inspectie voor de
gezondheidszorg beschikken wij niet over handhavingsmiddelen.
In de jeugdsector is het uitgangspunt dat de instellingen verantwoordelijk zijn
voor de kwaliteit van de zorg en zelf de normen daarvoor vaststellen, uiteraard
binnen de wettelijke kaders.
Namens de
overheid houden wij daar toezicht op, maar sancties zijn slechts aan de financiers
voorbehouden. Zelf hebben wij geen stok achter de deur." Bij de evaluatie
van de inspectie in 1996 is afgesproken dat de provincies en de rijksoverheid
voortaan sneller zullen ingrijpen als dat volgens de inspectie nodig is.
Maar tot nu toe
zijn er nog geen harde afspraken over sancties gemaakt. Er is toen ook besloten
dat de inspectie in het vervolg vaker per instelling rapporteert. Net zoals in
het onderwijs gaat de inspectie meer en meer instellingen in hun geheel
doorlichten.
"Daarbij
kijken we mede naar de manier waarop instellingen in de dagelijkse praktijk
werken," betoogt Aalders. "Het punt is wel
dat het toezicht toetsbaar moet zijn.
Vandaar dat het
onderzoek van de cliëntendossiers zo'n belangrijke
plaats inneemt in ons werk. Daarin staat onder meer het hulpverleningsplan
omschreven, en dat dient aan allerlei aantoonbare en toetsbare vereisten te
voldoen."
Het
Poortje
Naast het gewone
toezicht komt de inspectie ook in het geweer bij zogeheten calamiteiten. Een
kwestie die nog niet zo lang geleden het nieuws haalde, was de kwaliteit van de
opvang in de jeugdgevangenis Het Poortje in Groningen.
De wijze waarop
de inspectie daar optrad, biedt een aardige illustratie van haar werkwijze. De
aanleiding van de affaire vormde de onvrede, die onder een deel van het
personeel van Het Poortje leefde, over de verdeel- en heerspolitiek van de
toenmalige directeur Stoetman.
Volgens Wio Joustra die de affaire
destijds in de openbaarheid bracht, was er sprake van een "volkomen
paranoïde toestand" in de detentie-inrichting. "In de ogen van
Stoetman, een echte psychopaat, kon je alleen voor of tegen hem zijn.
Wie van het
personeel eenmaal aan de verkeerde kant stond, was voor zijn leven getekend.
Het was daar een soort 1984." Het artikel dat Joustra
in de Volkskrantschreef, leidde tot kamervragen en die op hun beurt tot het verzoek van de
minister van Justitie aan de inspectie om een diepgaand onderzoek in te
stellen.
Volgens de
inspectie was de kwaliteit van de opvang op zich niet in het geding. Wel was er
volgens regio-inspecteur Theo van Gilst veel mis in
Het Poortje. "We troffen daar een zeer ernstige situatie aan."
Doordat het
beleid onvoldoende uitgewerkt was en de controle gebrekkig, kon de inspectie er
niet voor instaan dat de kwaliteit van de opvang structureel gegarandeerd was.
In haar rapport gebruikte zij het beeld van "los zand" om de
gevangenisorganisatie te kenschetsen.
Bovendien
constateerde zij dat er sprake was van een "stagnerende interne
communicatie". Gevallen van ernstige discriminatie, die eerder door
personeelsleden gemeld waren, werden daarentegen niet
aangetroffen. Bij dit laatste punt tekent Van Gilst
echter aan dat er wel "fricties" waren tussen het merendeels witte
personeel van de aan de gevangenis verbonden school en de veelal zwarte
medewerkers van het internaat.
Het zou zijns
inziens dan ook raadzaam zijn om "op termijn aan interculturele vorming te
beginnen".
De bemoeienis
van de inspectie met Het Poortje was daarmee allerminst beëindigd. In het
afgelopen jaar voerde Van Gilst zowel intensief
overleg met de directie en het bestuur van de jeugdgevangenis als met Justitie.
In haar rapport had de inspectie tevens voorgesteld om het management te
versterken.
Op aandringen
van Justitie is dan ook een interim-manager aangesteld die zich expliciet moet
bezighouden met het personeelsbeleid, de interne communicatie en de bewaking
van de wet- en regelgeving. "Vervolgens is het aan ons als inspectie om te
zien of de afspraken die tussen de verschillende partijen gemaakt zijn, dat wil
zeggen het bestuur van Het Poortje, Justitie en de inspectie ook werken.
Onder meer gaan
we kijken of het verbeterplan ook zijn effect heeft op de wijze waarmee er met
de dossiers van de pupillen gewerkt wordt," aldus Van Gilst.
Het wachten is wat hem betreft allereerst op de nota van de interim-manager die
in de loop van dit jaar verwacht wordt, waarop de inspectie vervolgens weer met
haar onderzoek kan beginnen.
Dat een
dergelijk toetsingsproces zolang duurt, is in zijn visie een bewuste keuze.
"Je kunt wel zeggen dat zoiets snel gerealiseerd moet worden, maar dat is
doorgaans niet realiseerbaar. Je moet daar de tijd voor nemen, want eerder zijn
de voorgestelde veranderingen toch niet doorgevoerd in het beleid en de
uitvoeringspraktijk."
Voors en tegens
Ondanks de
stroom aan onvoldoendes die de inspectie gewoontegetrouw jaarlijks over de
instellingen voor de jeugdzorg uitstort, is het veld redelijk content over het functioneren van de inspecteurs.
Het lijkt wat
dat aangaat nauwelijks uit te maken of de gesprekspartner werkzaam is bij een
Advies- en Klachtenbureau Jeugdhulpverlening (AKJ), het Platform Samenwerkende
Cliëntenorganisaties in de Jeugdzorg en het Familierecht (SCJF)
vertegenwoordigt of directeur is van een jeugdinstelling.
Allen zijn ze
overtuigd van de zin van het toezicht en spreken ze hun waardering uit voor de
inzet van de inspectie. Zo roemt Peter Tromp (SCJF) het
"goede overleg" dat zijn Platform 2 à 3 keer per jaar met de
hoofdinspectie heeft en noemt hij de inspectie "alert en actief".
En Ben van Bruxvoort die directeur is van het Medisch Kleuter
Dagverblijf Tomteboe in Eindhoven ziet als de
belangrijkste verdienste van de inspectie dat "je gedwongen wordt om na te
gaan of je qua zorg eigenlijk wel voldoet".
Ook heeft ze
volgens hem ontegenzeglijk "een rol gehad, alhoewel
geen dominante, in de vooruitgang die er geboekt is op het punt van het
kwaliteitsbeleid".
Maar het zal
niemand verbazen dat er naast deze lovende woorden ook regelmatig harde noten
gekraakt worden. In tegenstelling tot Aalders die
ervoor pleit om af te wachten hoe de regeling uitpakt, meent Sacha van den Ende, juridisch
medewerker van het AKJ in Amsterdam, bijvoorbeeld dat de inspectie zich veel te
passief opstelt in haar toezicht op de recent bijgestelde klachtenregelingen.
"Mijn
indruk is dat de inspectie het prima vindt als het AKJ daar bij de instellingen
achteraan gaat. Wellicht gaan ze er zelfs van uit dat wij de ontwikkelingen
rond de klachtenregeling wel in de gaten houden. Zij doen dat in ieder geval
nauwelijks, terwijl dat in mijn ogen wel hun plicht is."
Papier versus
praktijk
Een punt van
kritiek vormt ook de taakopvatting van de inspectie. Zou het niet logisch zijn,
zo vraagt de directeur van de Stichting voor Jeugdbescherming en
Jeugdhulpverlening in Limburg, Joep Verbugt, zich af,
dat de inspectie naast haar toezicht op de instellingen ook de overheid aan
haar toetsingspraktijk onderwerpt?
"De
overheid wil van alles met deze sector. Deze regering heeft in het
regeerakkoord de jeugdzorg hoog op de politieke agenda gezet. Maar het probleem
is dat de overheid regelmatig niet met één stem spreekt. De ene keer worden
zaken landelijk vastgesteld, maar vind je daar op provinciaal niveau weinig van
terug. Maar het gebeurt ook dat wetten elkaar tegenspreken. I
n al dat soort gevallen zou de inspectie voor waakhond van de
jeugdzorg moeten spelen en de onvolkomenheden in de wetgeving over het voetlicht
moeten brengen."
In eerste
instantie reageert Aalders afwijzend op de suggestie
van Verbugt om het toezicht van de inspectie ook op
de overheid van toepassing te verklaren.
"Wij zijn
geen instituut dat toezicht op de overheid kan uitoefenen. Wij zijn immers niet
volledig onafhankelijk." Maar tegelijkertijd betoogt zij dat de inspectie
niet schroomt om de overheid op haar verantwoordelijkheden te wijzen.
"Als wij op
inconsistenties stuiten, kaarten we dat aan. We hebben dat bijvoorbeeld gedaan
met de regeling rond ouderbijdragen."
De belangrijkste
kritiek betreft evenwel de manier waarop de inspectie
te werk gaat. Menigeen in het veld is van mening dat de inspectie zich teveel
vastbijt in het toezicht op procedures en zich te vaak als een papieren tijger
opstelt.
Daardoor zou ze
te weinig oog hebben voor waar het werkelijk om gaat: de dagelijkse praktijk
van de hulpverlening en zorg. Een instelling kan formeel wel een
klachtenregeling hebben, aldus Peter Tromp, maar dat wil nog niet zeggen dat
een jongere ook daadwerkelijk van zo'n regeling
gebruik kan maken.
"We moeten
niet vergeten dat een jongere vaak in een afhankelijkheidspositie verkeert en
daardoor erg kwetsbaar is." Hij pleit dan ook voor verruiming van het
instrumentarium en de bevoegdheden van de inspectie.
Ook Ben van Bruxvoort plaatst kanttekeningen bij de werkwijze van de
inspectie. "Men legt bij het toezicht teveel de nadruk op
beleidsdocumenten. Naar mijn mening komt het zorgproces heel slecht tot uiting
in documenten.
Je doet de
jeugdzorg en de hulpverleners die daarin werkzaam zijn onrecht door alleen maar
naar rapporten te kijken. Anders gezegd, je kunt als instelling wel allerlei
protocollen in huis hebben, maar daarmee is niet gezegd dat je goede zorg
levert."
Maar anders dan
Tromp is hij niet direct voor een uitbreiding van de bevoegdheden van de
inspectie. "Als zij meer te vertellen krijgen, zou ik toch terughoudender
worden in wat ik tegen de inspecteur vertel. Want voor je het
weet heb je dingen verteld die de inspectie niet zint, en sluiten ze de
tent."
Van Bruxvoort gelooft wel dat de inspectie op de goede weg is
met haar nieuwe aanpak. "Door een instelling in haar geheel te evalueren
krijg je een veel beter beeld van wat daar omgaat. Zelf vind ik het onderzoek
naar de dossiers van de cliënten het belangrijkste onderdeel daarvan.
Als
dat onderzoek goed gebeurt en er zowel naar de daadwerkelijke uitvoering als de
documenten gekeken wordt, krijg je een antwoord op de vraag waar het toch
allemaal om draait: zijn wij in deze instelling in staat om goede zorg te
bieden aan onze cliënten.