VERDRAG INZAKE DE
BURGERRECHTELIJKE ASPECTEN VAN INTERNATIONALE ONTVOERING VAN KINDEREN.
('s-Gravenhage 25 oktober 1980)
Trb.syst. 81(1980) nrs.
1-6: Trb. 1987 139 (Engels, Frans,
Nederlandse vertaling); 1990 96; 1994 100; 1995 223; 1996 283;
1997 275
* Inwerkingtreding
* Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei
1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning
en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en
betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25
oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de
burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede
algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van
ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan.
* List of Internet resources
HOOFDSTUK I: TOEPASSINGSGEBIED VAN HET VERDRAG
[doelstelling]
Artikel 1
Dit Verdrag heeft tot doel:
a) de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn
overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat;
b) het in een Verdragsluitende Staat bestaande recht betreffende het
gezag en het omgangsrecht in de andere Verdragsluitende Staten daadwerkelijk te
doen eerbiedigen.
[eenvoudige procedure]
Artikel 2
De Verdragsluitende Staten nemen alle passende maatregelen om de doelstellingen
van het Verdrag binnen hun grondgebied te verwezenlijken. Hiertoe dienen zij
van de snelst mogelijke procedures gebruik te maken.
[definitie ontvoering]
Artikel 3
(1) Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als
ongeoorloofd beschouwd, wanneer:
a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een
persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind
onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats
had; en
b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het
tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn
uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
(2) Het onder a) bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een
toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of
een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van
die Staat.
[formeel en materieel toepassingsgebied]
Artikel 4
Het Verdrag is van toepassing op ieder kind dat onmiddellijk voorafgaande aan
de inbreuk op het recht betreffende het gezag of omgangsrecht zijn gewone
verblijfplaats had in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag houdt op van
toepassing te zijn, zodra het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.
[definities]
Artikel 5
Voor de toepassing van dit Verdrag omvat:
a) het "gezagsrecht" het recht dat betrekking heeft op de zorg voor
de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn verblijfplaats
te beslissen;
b) het "omgangsrecht" het recht het kind voor een beperkte
tijdsduur mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats.
HOOFDSTUK II: CENTRALE AUTORITEITEN
[centrale autoriteiten]
Artikel 6
(1) Iedere Verdragsluitende Staat wijst een centrale autoriteit aan die de
verplichtingen dient na te komen, die hem door het Verdrag zijn opgelegd.
(2) Een federale Staat, een Staat waarin verschillende rechtsstelsels van
kracht zijn, of een Staat die zelfstandige territoriale organisaties heeft, is
vrij meer dan één centrale autoriteit aan te wijzen en de territoriale omvang
van de bevoegdheden van elk van deze autoriteiten te omschrijven. De Staat die
van deze mogelijkheid gebruik maakt, wijst de centrale autoriteit aan, waaraan
de verzoeken kunnen worden gericht teneinde te worden
doorgegeven aan de bevoegde centrale autoriteit binnen deze Staat.
[samenwerking]
Artikel 7
(1) De centrale autoriteiten moeten onderling samenwerken en samenwerking
tussen de bevoegde autoriteiten van hun onderscheiden Staten bevorderen,
teneinde de onmiddellijke terugkeer van kinderen te verzekeren en de overige doelstellingen
van dit Verdrag te verwezenlijken.
[maatregelen]
(2) In het bijzonder nemen zij, hetzij rechtstreeks, hetzij via tussenkomst van
een andere instantie, alle passende maatregelen, teneinde:
a) vast te stellen waar een ongeoorloofd overgebracht of vastgehouden kind zich
bevindt;
b) te voorkomen dat het kind aan nieuwe gevaren wordt blootgesteld of de
belangen van de betrokken partijen worden geschaad, door middel van het nemen
of doen nemen van voorlopige maatregelen;
c) te verzekeren dat het kind vrijwillig wordt teruggegeven of een schikking in
der minne wordt bereikt;
d) indien dit wenselijk blijkt gegevens uit te wisselen met betrekking tot de
maatschappelijke omstandigheden van het kind;
e) algemene inlichtingen te verstrekken met betrekking tot het recht van hun
Staat inzake de toepassing van dit Verdrag;
f) een gerechtelijke of administratieve procedure in te stellen waardoor de
terugkeer van het kind wordt bewerkstelligd of het instellen van een dergelijke
procedure te bevorderen, alsmede, zo nodig, de regeling of de feitelijke
uitoefening van het omgangsrecht mogelijk te maken;
g) zo nodig rechtsbijstand en juridisch advies te verlenen of de verlening
ervan te bevorderen, met inbegrip van de bijstand van een raadsman;
h) te verzekeren dat, indien nodig en dienstig, zodanige administratieve
maatregelen worden getroffen, dat het kind zonder gevaar kan terugkeren;
i) elkaar op de hoogte te houden omtrent de werking van dit Verdrag en
zoveel mogelijk eventuele belemmeringen bij de toepassing weg te nemen.
HOOFDSTUK III: TERUGKEER VAN HET
KIND
[verzoek om teruggeleiding]
Artikel 8
(1) Personen, instellingen of lichamen die stellen dat een kind in strijd met
het recht betreffende het gezag is overgebracht of wordt vastgehouden, kunnen
zich richten tot de centrale autoriteit van hetzij de gewone verblijfplaats van
het kind, hetzij de centrale autoriteit van iedere andere Verdragsluitende
Staat, met het verzoek om behulpzaam te zijn bij het verzekeren van de
terugkeer van het kind.
(2) Het verzoek moet bevatten:
a) gegevens met betrekking tot de identiteit van de verzoeker, van het kind en
van de persoon van wie wordt gesteld dat deze het kind heeft meegenomen of
vastgehouden;
b) zo mogelijk de geboortedatum van het kind;
c) de gronden waarop de verzoeker zijn eis met betrekking tot de terugkeer van
het kind doet steunen;
d) alle beschikbare gegevens met betrekking tot de plaats waar het kind
verblijft en de identiteit van de persoon bij wie het kind zich vermoedelijk
bevindt.
(3) Het verzoek kan vergezeld gaan van of worden aangevuld met:
e) een gewaarmerkt afschrift van iedere ter zake dienende beslissing of
overeenkomst;
f) een schriftelijk bewijsstuk of beëdigde verklaring, afgegeven door de
centrale autoriteit of door een andere bevoegde autoriteit van de Staat waar
het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, dan wel door een hiertoe
gekwalificeerde persoon, betreffende het ter zake toepasselijke recht van de
Staat;
g) ieder ander ter zake dienend stuk.
[procedure]
Artikel 9
Wanneer de centrale autoriteit waaraan ingevolge
artikel 8 een verzoek wordt gericht, redenen heeft om aan te nemen dat het kind
zich in een ander Verdragsluitende Staat bevindt, zendt zij het verzoek
rechtstreeks en onverwijld aan de centrale autoriteit van die Verdragsluitende
Staat en stelt zij de centrale autoriteit van wie het verzoek uitgaat of zo
nodig de verzoeker hiervan in kennis.
[vrijwillige teruggeleiding]
Artikel 10
De centrale autoriteit van de Staat waar het kind zich bevindt, neemt alle
passende maatregelen, of doet deze nemen, teneinde de
vrijwillige terugkeer van het kind te verzekeren.
[bevordering teruggeleiding]
Artikel 11
(1) De rechterlijke of administratieve autoriteiten van iedere Verdragsluitende
Staat treffen onverwijld maatregelen ter bevordering van de terugkeer van het
kind.
[uitspraak binnen 6 weken]
(2) Wanneer de desbetreffende rechterlijke of administratieve autoriteit niet
binnen zes weken nadat het verzoek tot haar wordt gericht tot een uitspraak is
gekomen, kan de verzoeker of de centrale autoriteit van de aangezochte Staat
zelfstandig of op verzoek van de centrale autoriteit van de verzoekende Staat
een verklaring vragen met betrekking tot de redenen van deze vertraging. Indien
het antwoord wordt ontvangen door de centrale autoriteit van de aangezochte
Staat, dient deze autoriteit dit antwoord door te geven aan de centrale
autoriteit van de verzoekende Staat of aan de verzoeker, al naar gelang van het
geval.
[onmiddellijke teruggeleiding]
Artikel 12
(1) Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de
zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de
overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van
het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de
Verdragsluitende Staat waar het kind zich bevindt, gelast de betrokken
autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind.
[integratie kind]
(2) De rechterlijke of administratieve autoriteit gelast, zelfs in het geval
dat het verzoek tot haar wordt gericht nadat de in het vorige lid bedoelde
termijn van één jaar is verstreken, eveneens de terugkeer van het kind, tenzij
wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.
[schorsingafwijzing verzoek]
(3) Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte
Staat redenen heeft om aan te nemen dat het kind naar een andere Staat is
meegenomen, kan zij de procedure schorsen of het verzoek tot terugkeer van het
kind afwijzen.
[weigeringsgronden teruggeleiding]
Artikel 13
(1) Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke
of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de
terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het
lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:
a) de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de
persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk
uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand
in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of
dat
b) er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt
blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei
andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.
[inspraak kind]
(2) De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de
terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich
verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt,
die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
[maatschappelijke omstandigheden]
(3) Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de
rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die
zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit
van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
[toepassing buitenlands recht ]
Artikel 14
Teneinde vast te stellen of er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of
niet doen terugkeren in de zin van artikel 3, kan de rechterlijke of
administratieve autoriteit van de aangezochte Staat rechtstreeks rekening
houden met het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats
heeft en met de aldaar al dan niet formeel erkende
rechterlijke of administratieve beslissingen, zonder dat het nodig is dat de
inhoud van dat recht of de erkenning van buitenlandse beslissingen worden vastgesteld
in een bijzondere daartoe bestemde procedure, die anders toepasselijk zou zijn.
[beslissing of verklaring omtrent ontvoering]
Artikel 15
Alvorens de terugkeer van het kind te gelasten, kunnen de rechterlijke of
administratieve autoriteiten van een Verdragsluitende Staat verlangen dat de
verzoeker een beslissing of verklaring van de autoriteiten van de Staat waar
het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, overlegt, waarin wordt vastgesteld
dat de overbrenging of het niet doen terugkeren ongeoorloofd was in de zin van
artikel 3 van het Verdrag, voor zover een dergelijke beslissing of verklaring
in die Staat kan worden verkregen. De centrale autoriteiten van de
Verdragsluitende Staten zijn de verzoeker zoveel mogelijk behulpzaam bij de
verkrijging van een dergelijke beslissing of verklaring.
[gezagsvoorziening over ontvoerd kind]
Artikel 16
Nadat de rechterlijke of administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende
Staat waarheen het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd
wordt vastgehouden in de zin van artikel 3, in kennis zijn gesteld van deze
overbrenging of dit vasthouden, kunnen zij zich niet eerder over het
gezagsrecht ten gronde uitspreken, dan nadat is
vastgesteld dat het kind niet dient terug te keren ingevolge dit Verdrag, of
dan nadat een redelijke termijn is verstreken en daarin geen verzoek is
ingediend om dit Verdrag toe te passen.
[invloed gezagsvoorziening op teruggeleiding]
Artikel 17
Het enkele feit dat in de aangezochte Staat een beslissing met betrekking tot
het gezag is genomen of voor erkenning in aanmerking komt, vormt geen grond
voor een weigering het kind ingevolge dit Verdrag
terug te zenden, maar de rechterlijke of administratieve autoriteiten van de
aangezochte Staat kunnen bij de toepassing van dit Verdrag rekening houden met
de overwegingen die tot deze beslissing hebben geleid.
[tijdstip teruggeleiding]
Artikel 18
De bepalingen van dit hoofdstuk beperken niet de bevoegdheid van de
rechterlijke of administratieve autoriteit om op ongeacht welk tijdstip de
terugkeer van het kind te gelasten.
[teruggeleiding zonder invloed op gezagsrecht]
Artikel 19
Een ingevolge dit Verdrag genomen beslissing
betreffende de terugkeer van het kind heeft geen betrekking op het gezagsrecht
zelf.
[weigeringgrond teruggeleiding]
Artikel 20
De terugkeer van het kind overeenkomstig het bepaalde
in artikel 12 kan worden geweigerd, wanneer deze op grond van de fundamentele
beginselen van de aangezochte Staat betreffende de bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden niet zou zijn toegestaan.
HOOFDSTUK IV: OMGANGSRECHT
[omgangsrecht]
Artikel 21
(1) Een verzoek dat de regeling of de bescherming van de feitelijke uitoefening
van het omgangsrecht beoogt, kan op dezelfde wijze als een verzoek dat de
terugkeer van het kind beoogt, aan de centrale autoriteit van een
Verdragsluitende Staat worden gericht.
(2) De centrale autoriteiten zijn gehouden tot de in artikel 7 bedoelde
verplichting tot samenwerking, teneinde te verzekeren
dat het omgangsrecht op vreedzame wijze kan worden uitgeoefend en de
voorwaarden voor de uitoefening van dit recht worden nageleefd, en om alle
bestaande belemmeringen met betrekking tot de uitoefening van dit recht zoveel
mogelijk weg te nemen.
(3) De centrale autoriteiten kunnen hetzij rechtstreeks, hetzij door
tussenkomst van derden, een gerechtelijke procedure instellen of bevorderen,
tot het regelen of beschermen van het omgangsrecht en de naleving van de
voorwaarden waaraan de uitoefening van dit recht mocht zijn gebonden.
HOOFDSTUK V: ALGEMENE BEPALINGEN
[vrijstelling van zekerheden]
Artikel 22
Geen zekerheid, borgtocht of voorschot, onder welke benaming ook, wordt vereist
om de betaling van de kosten en uitgaven te waarborgen, die zijn gemaakt in
verband met rechterlijke of administratieve procedures als bedoeld in dit
Verdrag.
[vrijstelling van legalisatie]
Artikel 23
In verband met dit Verdrag kan geen enkele legalisatie of soortgelijke
formaliteit worden verlangd.
[officiële talen]
Artikel 24
(1) Ieder verzoek, mededeling of ander stuk wordt in de oorspronkelijke taal
gezonden aan de centrale autoriteit van de aangezochte Staat en gaat vergezeld
van een vertaling in de officiële taal of in één van de officiële talen van
deze Staat of, wanneer deze vertaling moeilijk kan worden vervaardigd, van een
vertaling in het Frans of in het Engels.
[voorbehoud]
(2) Een Verdragsluitende Staat kan zich echter, door het maken van het in
artikel 42 bedoelde voorbehoud, verzetten tegen het
gebruik van hetzij het Frans, hetzij het Engels, in ieder verzoek, mededeling
of ander stuk gericht aan zijn centrale autoriteit.
[procesrechtelijk discriminatieverbod]
Artikel 25
De onderdanen van een Verdragsluitende Staat en de personen die aldaar hun gewone verblijfplaats hebben, hebben bij alles
dat verband houdt met de toepassing van dit Verdrag recht op rechtsbijstand en
juridisch advies in iedere andere Verdragsluitende Staat, onder dezelfde
voorwaarden als waren zij zelf onderdanen van die andere Staat en als hadden
zij aldaar zelf hun gewone verblijfplaats.
[kosten]
Artikel 26
(1) Iedere centrale autoriteit draagt bij de toepassing van dit Verdrag haar
eigen kosten.
(2) De centrale autoriteit en de andere openbare diensten van de
Verdragsluitende Staten brengen geen kosten in rekening in verband met ingevolge dit Verdrag ingediende verzoeken. In het bijzonder
mogen zij niet van de verzoeker betaling eisen van de proceskosten of, indien
deze zijn gemaakt, van de kosten veroorzaakt door bijstand van een raadsman.
Zij kunnen echter wel betaling verlangen van de kosten die zijn gemaakt of
zullen worden gemaakt in verband met de terugkeer van het kind.
(3) Een Verdragsluitende Staat kan echter door het in artikel 42 bedoelde
voorbehoud te maken, verklaren dat hij slechts is gehouden tot betaling van de
in het voorgaande lid bedoelde kosten verbonden aan de bijstand van een
raadsman of een juridisch adviseur dan wel van de
gerechtskosten, voor zover deze kosten kunnen worden gedekt door zijn stelsel
van rechtshulp en rechtsbijstand.
(4) Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit de terugkeer van het
kind gelast of een uitspraak doet betreffende het omgangsrecht in verband met
dit Verdrag, kan zij, zo nodig, de persoon die het kind heeft overgebracht of
vastgehouden of die de uitoefening van het omgangsrecht heeft verhinderd,
verplichten tot de betaling van alle noodzakelijke kosten die door of namens de
verzoeker zijn gemaakt, in het bijzonder de reiskosten, de kosten van
juridische vertegenwoordiging van de verzoeker en van de terugkeer van het kind,
alsmede alle kosten die zijn gemaakt of betalingen die
zijn gedaan om vast te stellen waar het kind zich bevindt.
[geen behandeling teruggeleidingsverzoek]
Artikel 27
Wanneer klaarblijkelijk aan de door het Verdrag gestelde voorwaarden niet is
voldaan of het verzoek klaarblijkelijk niet gegrond is, is een centrale
autoriteit niet gehouden een dergelijk verzoek in behandeling te nemen. In
dat geval stelt zij de verzoeker of, zo nodig de centrale autoriteit die haar
het verzoek heeft doorgegeven, onmiddellijk van haar beweegredenen in kennis.
[vertegenwoordiging]
Artikel 28
Een centrale autoriteit kan eisen dat het verzoek vergezeld gaat van een
schriftelijke machtiging waardoor haar de bevoegdheid wordt verstrekt namens de
verzoeker op te treden of een vertegenwoordiger aan te wijzen die gerechtigd is
zulks te doen.
[toegang tot de rechter]
Artikel 29
Het Verdrag staat er niet aan in de weg dat een persoon die, of een instelling
die, of een lichaam dat stelt dat het recht betreffende het gezag of het omgangsrecht
in de zin van artikel 3 of 21 is geschonden zich, al dan niet met toepassing
van de regels van het Verdrag, rechtstreeks wendt tot de rechterlijke of
administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staten.
[overlegging teruggeleidingsverzoek]
Artikel 30
Ieder verzoek dat ingevolge dit Verdrag bij de
centrale autoriteit of rechtstreeks bij de rechterlijke of administratieve
autoriteiten van een Verdragsluitende Staat is ingediend, alsmede ieder stuk
dat, of elke inlichting die door een centrale autoriteit daarbij is gevoegd of
is verstrekt, zal aan de rechterlijke instanties of de administratieve
autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen worden overgelegd.
[interregionaal recht]
Artikel 31
Ten opzichte van een Staat die met betrekking tot het gezag over kinderen twee
of meer in verschillende territoriale eenheden toepasselijke rechtsstelsels
kent:
a) wordt onder de gewone verblijfplaats in die Staat verstaan de gewone
verblijfplaats in een territoriale eenheid van die Staat;
b) wordt onder de wet van de Staat van de gewone verblijfplaats verstaan
de wet van de territoriale eenheid waar het kind zijn gewone verblijfplaats
heeft.
[interpersoneel recht]
Artikel 32
Ten opzichte van een Staat die met betrekking tot het gezag over kinderen twee
of meer rechtsstelsels kent die op verschillende categorieën personen van
toepassing zijn, wordt onder de wet van die Staat verstaan het rechtsstelsel
waarnaar door het recht van die Staat wordt verwezen.
[interne wetconflicten]
Artikel 33
Een Staat waarin verschillende territoriale eenheden hun eigen rechtsregels
hebben met betrekking tot het gezag over kinderen, is niet gehouden het Verdrag
toe te passen wanneer een Staat met één rechtsstelsel daartoe evenmin zou zijn
gehouden.
[verhouding tot andere verdragen en wetten]
Artikel 34
Met betrekking tot aangelegenheden waarop het Verdrag van toepassing is, heeft
dit Verdrag voorrang boven het Verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de
bevoegdheid van de autoriteiten en de toepasselijke wet inzake
de bescherming van minderjarigen tussen de Staten die partij zijn bij beide
Verdragen. Overigens sluit dit Verdrag niet de mogelijkheid uit dat, teneinde de terugkeer te bewerkstelligen van een kind dat
ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden of teneinde het omgangsrecht
te regelen, een andere internationale regeling waarbij de Staat van de
oorspronkelijke verblijfplaats en de aangezochte Staat partij zijn, dan wel
ander recht van de aangezochte Staat dat niet op een internationale
overeenkomst berust wordt toegepast.
[intertemporeel recht]
Artikel 35
(1) Dit Verdrag is slechts van toepassing tussen de Verdragsluitende Staten in
gevallen van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren
die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding ervan in deze Staten.
(2) Indien een verklaring is afgelegd overeenkomstig
de artikelen 39 of 40, wordt onder een Verdragsluitende Staat in de zin van het
voorgaande lid verstaan de territoriale eenheid of eenheden waarop dit Verdrag
van toepassing is.
[verhouding tot andere verdragen]
Artikel 36
Dit Verdrag staat er niet aan in de weg dat twee of meer Verdragsstaten die de restricties waaraan de terugkeer van het kind kan worden
onderworpen willen beperken, onderling overeenkomen van de bepalingen van dit
Verdrag die zodanige restricties bevatten, af te wijken.
HOOFDSTUK VI: SLOTBEPALINGEN
Artikelen 37 t/m 41
(niet opgenomen)
[voorbehouden]
Artikel 42
(1) Iedere Verdragsluitende Staat kan uiterlijk op het tijdstip van
bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op het tijdstip
waarop een verklaring wordt afgelegd krachtens de artikelen 39 of 40, hetzij
één van beide, hetzij beide in artikel 24 en artikel 26, derde lid bedoelde
voorbehouden maken. Geen enkel ander voorbehoud is toegestaan.
(2) (niet opgenomen)
(3) (niet opgenomen)
Artikelen 43 t/m 45
(niet opgenomen)