E.V.R.M. - Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Vertaling Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mensen de Fundamentele
Vrijheden zoals gewijzigd door Protocol Nr. 11 met de aanvullende Protocollen Nrs. 1, 4, 6 en 7
De tekst van het Verdrag was gewijzigd door de bepalingen van Protocol Nr. 3
(ETS Nr. 45), in werking getreden op 21 september 1970, van Protocol Nr. 5 (ETS
Nr. 55), in werking getreden op 20 december 1971, en van Protocol Nr. 8 (ETS
Nr. 118), in werking getreden op 1 januari 1990, en bevatte tevens de tekst van
Protocol Nr. 2(ETS Nr. 44) dat, sinds het op 21 september 1970 in werking trad
een integraal gedeelte van het Verdrag had uitgemaakt in overeenstemming met
Artikel 5, paragraaf 3 van dat Protocol.
Alle bepalingen die een wijziging hadden ondergaan of waren toegevoegd door
deze Protocollen zijn vervangen door Protocol Nr. 11 (ETS Nr. 155),met ingang
van de datum 1 november 1998 waarop dit in werking trad.
Vanaf die datum is Protocol Nr. 9 (ETS Nr.140), in werking getreden op 1
oktober 1994, ingetrokken.
Griffie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
November 1998
De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad van
Europa, Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10
december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is
afgekondigd;Overwegende, dat deze Verklaring ten doel heeft de universele en
daadwerkelijke erkenning en toepassing van de Rechten die daarin zijn nedergelegd te verzekeren; Overwegende, dat het doel van de
Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn Leden en
dat een van de middelen om dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere
verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;Opnieuw
haar diep geloof bevestigende in deze fundamentele vrijheden die de grondslag
vormen voorgerechtigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral
steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op
het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de
rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn;Vastbesloten om, als
Regeringen van gelijkgestemde Europese staten, die een gemeenschappelijk
erfdeel bezitten van politieke tradities, idealen, vrijheid en heerschappij van
het recht, de eerste stappen te doenvoor de collectieve handhaving van sommige
der in de Universele Verklaring vermelde rechten;Zijn het volgende
overeengekomen :
Artikel 1 - Verplichting tot eerbiediging van de rechten van de mens De Hoge
Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder, die ressorteert onder hun
rechtsmacht, der echten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel
van dit Verdrag.
TITEL I - RECHTEN EN VRIJHEDEN
Artikel 2 - Recht op leven
1. Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag
opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging
van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf
voorziet.
2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te
zijn geschied ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk
is:
a. ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
b. teneinde een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het ontsnappen van
iemand, die oprecht matige wijze is gedetineerd, te voorkomen;
c. teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te
onderdrukken.
Artikel 3 - Verbod van foltering Niemand mag worden onderworpen aan folteringen
of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Artikel 4 - Verbod van slavernij en dwangarbeid
1.Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
2.Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.
3.Niet als "dwangarbeid of verplichte arbeid" in de zin van dit
artikel worden beschouwd:a. elk werk dat gewoonlijk wordt vereist van iemand
die is gedetineerd overeenkomstig de bepalingen van
Artikel 5 van dit Verdrag, of gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling;
3b. elke dienst van militaire aard, of, in geval van gewetensbezwaarden in
landen waarin hungewetensbezwaren worden erkend, diensten die gevorderd kunnen
worden in plaats van de verplichte militaire dienst;
c. elke dienst die wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp
die het leven of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
d. elk werk of elke dienst, welke deel uitmaakt van normale burgerplichten.
Artikel 5 - Recht op vrijheid en veiligheid
1. Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand
mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en
overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een
daartoe bevoegde rechter;
b. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het
niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of
teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te
verzekeren;
c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor
de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke
verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het
redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of
te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;
d. in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe
te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie,
teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;
e. in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de
verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan
alcohol of verdovende middelen of van landlopers;
f.in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie
van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen
te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzing- of uitleveringsprocedure
hangende is.
2.Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat
op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle
beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.
3.Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit
artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere
magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te
oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of
hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan
afhankelijk worden gesteld van een waarborgvoor de verschijning van de
betrokkene ter terechtzitting.
4.Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft
het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over
de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien
de detentie onrechtmatig is.
5.Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie
in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.Artikel
6 - Recht op een eerlijk proces
1.Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het
bepalen van de gegrondheid vaneen tegen hem ingestelde vervolging heeft een
ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een
redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet
is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang
tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de
gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden,
van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving,
wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van
procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere
omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de
belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
2.Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig
gehouden totdat zijn schuld in recht eis komen vast te staan.
3.Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de
volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte
te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte
beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de
voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman
naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een
raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden
bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en
de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde
voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal, die ter
terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
Artikel 7 - Geen straf zonder wet
1.Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen
strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat
het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden
opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van
toepassingwas.
2.Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van iemand,
die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van het handelen of
nalaten, een misdrijf was overeenkomstig dealgemene rechtsbeginselen die door
de beschaafde volken worden erkend.
Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven
1.Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en
gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2.Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit
recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische
samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de
openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van
wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de
goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 9 - Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst
1.Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht
omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen,
alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar
als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen
in erediensten,in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het
onderhouden van geboden en voorschriften.
2.De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen
kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die
bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn
in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare
orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen.
Artikel 10 - Vrijheid van meningsuiting
1.Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de
vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden
te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en
ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, en bioscoop- of
televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2.Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met
zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten,
voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in
een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale
veiligheid,territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van
wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de
goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de
verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de
onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Artikel 11 - Vrijheid van vergadering en vereniging
1.Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid
van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te
richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn
belangen.
2.De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden
onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische
samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de
openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,
voorde bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de
rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige
beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van
de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.
Artikel 12 - Recht te huwen Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het
recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de
uitoefening van dit recht beheersen.
Artikel 13 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel Een ieder wiens rechten en
vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een
daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze
schending is begaan doorpersonen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Artikel 14 - Verbod van discriminatie Het genot van de rechten en vrijheden die
in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op
welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of
andere mening,nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een
nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 15 - Afwijking in geval van noodtoestand
1.In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het
bestaan van het land bedreigt,kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij
maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag,
voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op
voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die
voortvloeien uit het internationale recht.
2.De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van Artikel 2, behalve
ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van de
Artikelen 3, 4 (eerste lid), en 7.3.Elke Hoge Verdragsluitende Partij die
gebruik maakt van dit recht om af te wijken, moet de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa volledig op de hoogte houden van de genomen maatregelen
en van de beweegredenen daarvoor. Zij moet de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa eveneens in kennisstellen van de datum waarop deze
maatregelen hebben opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen van het
Verdrag opnieuw volledig worden toegepast.
Artikel 16 - Beperkingen op politieke activiteiten van vreemdelingen Geen der
bepalingen van de Artikelen 10, 11 en 14 mag beschouwd worden als een beletsel
voor de Hoge Verdrag sluitende Partijen beperkingen op te leggen aan politieke
activiteiten van vreemdelingen.
Artikel 17 - Verbod van misbruik van recht Geen der bepalingen van dit Verdrag
mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het
recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te
verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld
teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.
Artikel 18 - Inperking van de toepassing van beperkingen op rechten De
beperkingen die volgens dit Verdrag op de omschreven rechten en vrijheden zijn
toegestaan, mogen slechts worden toegepast ten behoeve van het doel waarvoor
zij zijn gegeven.
TITEL II - EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS
Artikel 19 - Instelling van het Hof Teneinde de nakoming te verzekeren van de
verplichtingen die de Hoge Verdragsluitende Partijen in het Verdrag en de
Protocollen daarbij op zich hebben genomen, wordt een Europees Hof voor de
Rechten van de Mens ingesteld, hierna te noemen "het Hof". Het
functioneert op een permanente basis.
Artikel 20 - Aantal rechters Het Hof bestaat uit een aantal rechters dat gelijk
is aan het aantal Hoge Verdragsluitende Partijen.
Artikel 21 - Voorwaarden voor uitoefening van de functie
1.De rechters moeten het hoogst mogelijk zedelijk aanzien genieten en in zich
verenigen de voorwaarden die worden vereist voor het uitoefenen van een hoge
functie bij de rechterlijke macht, ofwel rechtsgeleerden zijn van erkende
bekwaamheid.
2.De rechters hebben zitting in het Hof op persoonlijke titel.
3.Gedurende hun ambtstermijn mogen de rechters geen activiteiten verrichten die
onverenigbaar zijn met hun onafhankelijkheid, onpartijdigheid of met de eisen
van een volledige dagtaak; het Hof beslist over alle vragen met betrekking tot
de toepassing van dit lid.
Artikel 22 - Verkiezing van rechters
1.Voor elke Hoge Verdragsluitende Partij worden de rechters gekozen door de
Parlementaire Vergadering,met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, uit
een lijst van drie kandidaten, voorgedragen door de Hoge Verdragsluitende
Partij.
2.Dezelfde procedure wordt gevolgd om het Hof aan te vullen in geval van
toetreding van nieuwe Hoge Verdrag sluitende Partijen en om tussentijdse
vacatures te vervullen.
Artikel 23 - Ambtstermijn
1.De rechters worden gekozen voor een periode van zes jaar. Zij zijn
herkiesbaar. De ambtstermijn van de helft van de rechters die bij de eerste
verkiezing zijn gekozen, eindigt evenwel na drie jaar.
2.De rechters van wie de ambtstermijn zal eindigen na de eerste periode van
drie jaar, worden bij lotingaangewezen door de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa, onmiddellijk na hun verkiezing.
3.Teneinde zo veel mogelijk te bewerkstelligen dat elke drie jaar de
ambtstermijn van de helft van de rechters wordt verlengd, kan de Parlementaire
Vergadering, alvorens tot een volgende verkiezing over te gaan,besluiten dat de
ambtstermijn van één of meer te verkiezen rechters een andere duur heeft dan
zes jaar,doch ten hoogste negen en ten minste drie jaar.
4.Ingeval het meer dan één ambtstermijn betreft en de Parlementaire Vergadering
het voorgaande lid toepast, geschiedt de toedeling van de ambtstermijnen door
middel van loting door de Secretaris-Generaal van de
Raad van Europa onmiddellijk na de verkiezing.
5.Een rechter die is verkozen ter vervanging van een rechter van wie de
ambtstermijn niet is geëindigd, maakt de ambtstermijn van zijn voorganger af.
6.De ambtstermijn van rechters eindigt wanneer zij de leeftijd van 70 jaar
bereiken.
7.De rechters blijven in functie tot hun vervanging. Zij handelen evenwel de
zaken af die zij reeds in behandeling hebben.
Artikel 24 - Ontheffing uit het ambt Een rechter kan slechts van zijn functie
worden ontheven indien de overige rechters bij een meerderheid van tweederde
besluiten dat hij niet meer aan de vereiste voorwaarden voldoet.
Artikel 25 - Griffie en referendarissen Het Hof beschikt over een griffie,
waarvan de taken en de organisatie worden vastgesteld in het reglement van het
Hof. Het Hof wordt bijgestaan door referendarissen.
Artikel 26 - Hof in voltallige vergadering bijeen Het Hof in voltallige
vergadering bijeen:
a. kiest zijn President en één of twee Vice-Presidenten
voor een periode van drie jaar; zij zijn herkiesbaar;
b. stelt Kamers in, voor bepaalde tijd;
c. kiest de Voorzitters van de Kamers van het Hof; zij zijn herkiesbaar;
d. neemt het reglement van het Hof aan; ene. kiest de Griffier en één of twee
Plaatsvervangend Griffiers.
Artikel 27 - Comités, Kamers en Grote Kamer
1.Ter behandeling van bij het Hof aanhangig gemaakte zaken, houdt het Hof
zitting in comités van drierechters, in Kamers van zeven rechters en in een
Grote Kamer van zeventien rechters. De Kamers van het Hof stellen comités in
voor bepaalde tijd.
2.De rechter die is gekozen voor de betrokken Staat maakt van rechtswege deel
uit van de Kamer en van de Grote Kamer; in geval van zijn ontstentenis of belet
wijst die Staat een persoon aan om daarin als rechterzitting te hebben.
3.De Grote Kamer bestaat mede uit de President van het Hof, de Vice-Presidenten, de Voorzitters van de Kamers en andere
rechters, aangewezen overeenkomstig het reglement van het Hof. Wanneer een zaak
op grond van Artikel 43 naar de Grote Kamer wordt verwezen, mag een rechter van
de Kamer die uitspraakheeft gedaan, geen zitting nemen in de Grote Kamer, met
uitzondering van de voorzitter van de Kamer en de rechter die daarin zitting
had voor de betrokken Staat.
Artikel 28 - Verklaringen van niet-ontvankelijkheid van comités Een comité kan,
met eenparigheid van stemmen, een individueel verzoekschrift, ingediend op
grond van Artikel 34, niet-ontvankelijk verklaren of van de rol schrappen,
wanneer deze beslissing zonder naderonderzoek kan worden genomen. De beslissing
is definitief.
Artikel 29 - Beslissingen van Kamers inzake ontvankelijkheid en gegrondheid
1.Indien geen beslissing ingevolge Artikel 28 is genomen, beslist een Kamer
over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van individuele verzoekschriften,
ingediend op grond van Artikel 34.
2.Een Kamer beslist over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van
interstatelijke verzoekschriften,ingediend op grond van Artikel 33.3.De
beslissing inzake ontvankelijkheid wordt afzonderlijk genomen, tenzij het Hof,
in uitzonderlijke gevallen,anders beslist.
Artikel 30 - Afstand van rechtsmacht ten gunste van de Grote Kamer Indien de
bij een Kamer aanhangige zaak aanleiding geeft tot een ernstige vraag
betreffende de interpretatie van het Verdrag of de Protocollen daarbij of
wanneer de oplossing van een vraag aanhangig voor een Kamer een resultaat kan
hebben dat strijdig is met een eerdere uitspraak van het Hof, kan de Kamer, te
allen tijde voordat zij uitspraak doet, afstand doen van rechtsmacht ten gunste
van de Grote Kamer, tenzij één van de betrokken partijen daartegen bezwaar
maakt.
Artikel 31 - Bevoegdheden van de Grote Kamer De Grote Kamera. doet uitspraak
over op grond van Artikel 33 of Artikel 34 ingediende verzoekschriften wanneer
een Kamer ingevolge Artikel 30 afstand van rechtsmacht heeft gedaan of wanneer
de zaak ingevolge Artikel43 naar de Grote Kamer is verwezen; enb. behandelt verzoeken om advies, gedaan ingevolge
Artikel 47.
Artikel 32 - Rechtsmacht van het Hof1.De rechtsmacht van het Hof strekt zich
uit tot alle kwesties met betrekking tot de interpretatie en de toepassing van
het Verdrag en de Protocollen daarbij die aan het Hof worden voorgelegd zoals
bepaald inde Artikelen 33, 34 en 47.2.In geval van een meningsverschil met
betrekking tot de vraag of het Hof rechtsmacht heeft, beslist het Hof.
Artikel 33 - Interstatelijke zaken Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan elke
vermeende niet-nakoming van de bepalingen van het Verdragen de Protocollen
daarbij door een andere Hoge Verdragsluitende Partij bij het Hof aanhangig
maken.
Artikel 34 - Individuele verzoekschriften Het Hof kan verzoekschriften
ontvangen van ieder natuurlijk persoon, iedere niet-gouvernementele organisatie
of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door
een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het Verdrag of
de Protocollen daarbij zijn vervat. De Hoge Verdragsluitende Partijen
verplichten zich ertoe de doeltreffende uitoefening van dit recht op generlei
wijze te belemmeren.
Artikel 35 - Voorwaarden voor ontvankelijkheid
1.Het Hof kan een zaak pas in behandeling nemen nadat alle nationale
rechtsmiddelen zijn uitgeput,overeenkomstig de algemeen erkende regels van
internationaal recht, en binnen een termijn van zesmaanden na de datum van de
definitieve nationale beslissing.
2.Het Hof behandelt geen enkel individueel verzoekschrift, ingediend op grond
van Artikel 34, data. anoniem is; ofb. in wezen
gelijk is aan een zaak die reeds eerder door het Hof is onderzocht of reeds aan
een andere internationale instantie voor onderzoek of regeling is voorgelegd en
geen nieuwe feiten bevat.
3.Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van
Artikel 34, niet-ontvankelijk,wanneer het van oordeel is dat dit niet
verenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag of de Protocollen daarbij,
kennelijk ongegrond is of een misbruik betekent van het recht tot het indienen
van een verzoekschrift.
4.Het Hof verwerpt elk verzoekschrift dat het ingevolge dit artikel als
niet-ontvankelijk beschouwt. Dit kan het in elk stadium van de procedure doen.
Artikel 36 - Tussenkomst door derden
1.In alle zaken die voor een Kamer of de Grote Kamer aanhangig zijn, heeft een
Hoge Verdragsluitende Partij waarvan een onderdaan verzoeker is het recht
schriftelijke conclusies in te dienen en aan zittingen deel te nemen.
2.De President van het Hof kan, in het belang van een goede rechtsbedeling,
elke Hoge Verdragsluitende Partij die geen partij bij de procedure is of elke
belanghebbende die niet de verzoeker is, uitnodigen schriftelijke conclusies in
te dienen of aan zittingen deel te nemen.
Artikel 37 - Schrapping van de rol
1.Het Hof kan in elk stadium van de procedure beslissen een verzoekschrift van
de rol te schrappen wanneer de omstandigheden tot de conclusie leiden data. de
verzoeker niet voornemens is zijn verzoekschrift te handhaven; ofb. het geschil is opgelost; ofc.
het om een andere door het Hof vastgestelde reden niet meer gerechtvaardigd is
de behandeling van het verzoekschrift voort te zetten.Het
Hof zet de behandeling van het verzoekschrift evenwel voort, indien de
eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten
van de mens zulks vereist.
2.Het Hof kan beslissen een verzoekschrift opnieuw op de rol te plaatsen
wanneer het van oordeel is dat de omstandigheden zulks rechtvaardigen.
Artikel 38 - Behandeling van de zaak en procedure voor minnelijke schikking
1.Indien het Hof het verzoekschrift ontvankelijk verklaart,
a. zet het de behandeling van de zaak voort, te samen met de vertegenwoordigers
van de partijen en verricht, indien nodig, nader onderzoek, voor de goede
voortgang waarvan de betrokken Staten alle noodzakelijke faciliteiten leveren;
b. stelt het zich ter beschikking van de betrokken partijen teneinde tot een
minnelijke schikking van de zaak te komen op basis van eerbiediging van de in
het Verdrag en de Protocollen daarbij omschreven rechten van de mens.
2.De in het eerste lid, letter b, omschreven procedure is vertrouwelijk.
Artikel 39 - Totstandbrenging van een minnelijke schikking Indien het tot een
minnelijke schikking komt, schrapt het Hof de zaak van de rol bij een
beslissing, die beperkt blijft tot een korte uiteenzetting van de feiten en de
bereikte oplossing.
Artikel 40 - Openbare zittingen en toegang tot de stukken
1.De zittingen zijn openbaar, tenzij het Hof wegens buitengewone omstandigheden
anders beslist.
2.De ter griffie gedeponeerde stukken zijn toegankelijk voor het publiek,
tenzij de President van het Hofanders beslist.
Artikel 41 - Billijke genoegdoening Indien het Hof vaststelt dat er een
schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en
indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij
slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een
billijke genoegdoening toe aan de benadeelde.
Artikel 42 - Uitspraken van Kamers Uitspraken van Kamers gelden als
einduitspraak in overeenstemming met de bepalingen van Artikel 44,tweede lid.
Artikel 43 - Verwijzing naar de Grote Kamer
1.Binnen een termijn van drie maanden na de datum van de uitspraak van een
Kamer kan elke bij de zaakbetrokken partij, in uitzonderlijke gevallen,
verzoeken om verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer.
2.Een college van vijf rechters van de Grote Kamer aanvaardt het verzoek indien
de zaak aanleiding geeft tot een ernstige vraag betreffende de interpretatie of
toepassing van het Verdrag of de Protocollen daarbij, dan wel een ernstige
kwestie van algemeen belang.
3.Indien het college het verzoek aanvaardt, doet de Grote Kamer uitspraak in de
zaak.
Artikel 44 - Einduitspraken
1.De uitspraak van de Grote Kamer geldt als einduitspraak.
2.De uitspraak van een Kamer geldt als eind uitspraak
a. wanneer de partijen verklaren dat zij niet zullen verzoeken om verwijzing
van de zaak naar de Grote Kamer; of
b. drie maanden na de datum van de uitspraak, indien niet is verzocht om
verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer; of
c. wanneer het college van de Grote Kamer het in Artikel 43 bedoelde verzoek
verwerpt.
3.De einduitspraak wordt openbaar gemaakt.
Artikel 45 - Redenen die aan uitspraken en beslissingen ten grondslag liggen
1.Uitspraken, alsmede beslissingen waarbij verzoekschriften al dan niet
ontvankelijk worden verklaard, dienen met redenen te worden omkleed.
2.Indien een uitspraak niet, geheel of gedeeltelijk, de eenstemmige mening van
de rechters weergeeft, heeft iedere rechter het recht een uiteenzetting van
zijn persoonlijke mening toe te voegen.
Artikel 46 - Bindende kracht en tenuitvoerlegging van uitspraken1.De Hoge
Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe zich te houden aan de
einduitspraak van het Hof inde zaken waarbij zij partij zijn.2.De einduitspraak
van het Hof wordt toegezonden aan het Comité van Ministers, dat toeziet op de
tenuitvoerlegging ervan.
Artikel 47 - Adviezen
1.Het Hof kan, op verzoek van het Comité van Ministers, adviezen uitbrengen
over rechtsvragen betreffende de interpretatie van het Verdrag en de
Protocollen daarbij.
2.Deze adviezen mogen geen betrekking hebben op vragen die verband houden met
de inhoud of strekking van de in Titel I van het Verdrag en de Protocollen
daarbij omschreven rechten en vrijheden, noch op andere vragen waarvan het Hof
of het Comité van Ministers kennis zou moeten kunnen nemen ten gevolge van het
instellen van een procedure overeenkomstig het Verdrag.
3.Besluiten van het Comité van Ministers waarbij het Hof om advies wordt
gevraagd, dienen te worden genomen met een meerderheid van de
vertegenwoordigers die gerechtigd zijn in het Comité zitting te hebben.
Artikel 48 - Bevoegdheid van het Hof met betrekking tot adviezen Het Hof
beslist of een verzoek om advies van het Comité van Ministers behoort tot zijn
bevoegdheid als omschreven in Artikel 47.
Artikel 49 - Redenen die aan adviezen ten grondslag liggen
1.Adviezen van het Hof dienen met redenen te worden omkleed.
2.Indien een advies niet, geheel of gedeeltelijk, de eenstemmige mening van de
rechters weergeeft, heeft iedere rechter het recht een uiteenzetting van zijn
persoonlijke mening toe te voegen.
3.Adviezen van het Hof worden ter kennis gebracht van het Comité van Ministers.
Artikel 50 - Kosten van het Hof De kosten van het Hof worden gedragen door de
Raad van Europa.
Artikel 51 - Voorrechten en immuniteiten van de rechters De rechters genieten,
gedurende de uitoefening van hun functie, de voor-rechten
en immuniteiten bedoeld in Artikel 40 van het Statuut van de Raad van Europa en
de op grond van dat artikel gesloten overeenkomsten.
TITEL III - DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 52 - Verzoeken om inlichtingen van de Secretaris-Generaal
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij verschaft op verzoek van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een
uiteenzetting van de wijze waarop haar nationaal recht de daadwerkelijke
uitvoering waarborgt van iedere bepaling van dit Verdrag.
Artikel 53 - Waarborging van bestaande rechten van de mens Geen bepaling van
dit Verdrag zal worden uitgelegd als beperkingen op te leggen of inbreuk te
maken op de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden die verzekerd
kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of
ingevolge enig ander Verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is.
Artikel 54 - Bevoegdheden van het Comité van Ministers Geen bepaling van dit
Verdrag maakt inbreuk op de bevoegdheden door het Statuut van de Raad van
Europa verleend aan het Comité van Ministers.
Artikel 55 - Uitsluiting van andere wijzen van geschillenregeling De Hoge
Verdragsluitende Partijen komen overeen dat zij, behoudens bijzondere
overeenkomsten, zich niet zullen beroepen op tussen hen van kracht zijnde
verdragen, overeenkomsten of verklaringen om doormiddel van een verzoekschrift
een geschil, hetwelk is ontstaan uit de interpretatie of toepassing van dit
Verdrag, te onderwerpen aan een andere wijze van regeling dan die die bij dit Verdrag zijn voorzien.
Artikel 56 - Territoriale werkingssfeer
1.Iedere Staat kan, ten tijde van de bekrachtiging of op elk later tijdstip
door middel van een kennisgevinggericht aan de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa verklaren, dat dit Verdrag, met inachtneming van het
vierde lid van dit artikel, van toepassing zal zijn op alle of op één of meer
van de gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is.
2.Het Verdrag zal van toepassing zijn op het gebied of op de gebieden die in de
kennisgeving zijn vermeld,vanaf de dertigste dag die volgt op die waarop de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa deze
kennisgeving heeft ontvangen.
3.In de voornoemde gebieden zullen de bepalingen van dit Verdrag worden
toegepast, evenwel met inachtneming van de plaatselijke behoeften.
4.Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het eerste lid
van dit artikel, kan op elk later tijdstip, met betrekking tot één of meer van
de gebieden die in de verklaring worden bedoeld, verklaren dat hij de
bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van
natuurlijke personen, (niet-gouvernementele) organisaties of groepen van
particulieren, zoals bepaald in Artikel 34 van het Verdrag.
Artikel 57 - Voorbehouden
1.Iedere Staat kan, ten tijde van de ondertekening van dit Verdrag of van de
neder legging van zijn akte van bekrachtiging, een voorbehoud maken met
betrekking tot een specifieke bepaling van dit Verdrag, voorzover een wet die
op dat tijdstip op zijn grondgebied van kracht is, niet in overeenstemming is
met deze bepaling. Voorbehouden van algemene aard zijn niet toegestaan
krachtens dit artikel.
2.Elk voorbehoud hetwelk overeenkomstig dit artikel wordt gemaakt, dient een
korte uiteenzetting van debetrokken wet te bevatten.
Artikel 58 - Opzegging
1.Een Hoge Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag slechts opzeggen na verloop
van een termijn van vijf jaarna de datum waarop het Verdrag voor haar in
werking is getreden en met een opzeggingstermijn van zesmaanden, vervat in een
kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van
de Raad van Europa, die de andere Hoge Verdragsluitende Partijen hiervan in
kennis stelt.
2.Deze opzegging kan niet tot gevolg hebben dat zij de betrokken Hoge
Verdragsluitende Partij ontslaat van de verplichtingen, neder gelegd in dit
Verdrag, die betrekking hebben op daden die een schending van deze
verplichtingen zouden kunnen betekenen en door haar gepleegd zouden zijn voor
het tijdstip waarop de opzegging van kracht werd.
3.Onder dezelfde voorwaarden zal iedere Hoge Verdragsluitende Partij die
ophoudt Lid van de Raad van Europa te zijn, ophouden Partij bij dit Verdrag te
zijn.
4.Het Verdrag kan worden opgezegd overeenkomstig de bepalingen van de
voorafgaande leden met betrekking tot ieder gebied waarop het overeenkomstig
Artikel 56 van toepassing is verklaard.
Artikel 59 - Ondertekening en bekrachtiging
1.Dit Verdrag is voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa
opengesteld. Het zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen
worden neder gelegd bij de Secretaris-Generaal van de
Raad van Europa.
2.Dit Verdrag zal in werking treden na de neder legging van tien akten van
bekrachtiging.
3.Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna bekrachtigt, zal het
Verdrag in werking treden op de dag van de neder legging der akte van
bekrachtiging.
4.De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft
aan alle Leden van de Raad van Europa kennis van de inwerkingtreding van het
Verdrag, van de namen der Hoge Verdragsluitende Partijen die het bekrachtigd
hebben, evenals van de nederlegging van iedere akte
van bekrachtiging die later heeft plaatsgehad.
GEDAAN te Rome, de 4e november 1950, in de Engelse en de Franse taal, zijnde
beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar hetwelk zal worden
nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.De Secretaris-Generaal zal
gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan alle ondertekenaars.
Protocol (Nr. 1) bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en
de Fundamentale Vrijheden De Regeringen die dit
Protocol hebben ondertekend, zijn de Leden van de Raad van Europa,Vastbesloten
om stappen te doen teneinde de collectieve handhaving te verzekeren van
bepaalde rechten en vrijheden die niet zijn genoemd in Titel I van het Verdrag
tot Bescherming van de Rechten van de Mensen de Fundamentele Vrijheden,
ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen "het
Verdrag"),Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 - Bescherming van eigendom Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft
recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom
worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien
inde wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.De
voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een
Staat heeft om diewetten toe te passen, die hij
noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren inovereenstemming met het algemeen belang of om de betaling
van belastingen of andere heffingen ofboeten te
verzekeren.
Artikel 2 - Recht op onderwijsNiemand mag het recht
op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat inverband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt,
eerbiedigt de Staat het recht van ouders omzich van
die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigengodsdienstige en filosofische overtuigingen.
Artikel 3 - Recht op vrije verkiezingenDe Hoge
Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheimeverkiezingen te houden onder voorwaarden die de
vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van dewetgevende
macht waarborgen.
Artikel 4 - Territoriale werkingssfeerIedere Hoge
Verdragsluitende Partij kan op het tijdstip van de ondertekening of
bekrachtiging van ditProtocol of op ieder tijdstip
daarna aan de Secretaris-Generaal van de Raad van
Europa een verklaringdoen toekomen, waarin wordt medegedeeld in welke mate zij
zich verbindt de bepalingen van dit Protocoleveneens
te doen gelden voor die in de verklaring genoemde gebieden voor welker internationalebetrekkingen zij verantwoordelijk is.Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die krachtens de
voorgaande alinea een verklaring heeft overgelegdkan
van tijd tot tijd een nadere verklaring overleggen, waarbij het gestelde van
een voorgaande verklaringkan worden gewijzigd of waarbij de toepassing van de
bepalingen van dit Protocol met betrekking tot een bepaald gebied wordt beëindigd.Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit
artikel zal geacht worden te zijn afgelegd overeenkomstig lid 1van Artikel 56
van het Verdrag.
Artikel 5 - Verhouding tot het VerdragDe Hoge
Verdragsluitende Partijen beschouwen de Artikelen 1, 2, 3 en 4 van dit Protocol
als aanvullende artikelen van het Verdrag en alle bepalingen van het Verdrag
zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 6 - Ondertekening en bekrachtiging Dit Protocol is opengesteld voor
ondertekening door de Leden van de Raad van Europa die het Verdrag hebben
ondertekend; het zal worden bekrachtigd tegelijkertijd met of na de
bekrachtiging van het Verdrag.Het treedt in werking
na de nederlegging van tien akten van bekrachtiging.
Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna bekrachtigt, zal het
Protocol in werking treden op de dag van de nederlegging
der akte van bekrachtiging.De akten van bekrachtiging
worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa, dieaan alle Leden kennis zal
geven van de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.GEDAAN
te Parijs, de 20e maart 1952, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide
teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.De Secretaris-Generaal zal
gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan alle ondertekenende Regeringen.
Protocol Nr. 4 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentale Vrijheden, tot het waarborgen van
bepaalde rechten en vrijheden die niet reeds in het Verdrag en in het Eerste
Protocol daarbij zijn opgenomen De Regeringen die dit Protocol hebben
ondertekend, zijnde Leden van de Raad van Europa,Vastbesloten om maatregelen te
nemen teneinde de collectieve handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en
vrijheden die niet zijn genoemd in Titel I van het Verdrag tot Bescherming van
de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4
november 1950 (hierna te noemen"het Verdrag") en in de Artikelen 1
tot en met 3 van het eerste Protocol bij het Verdrag, ondertekend te Parijs op
20 maart 1952.Zijn het volgende overeengekomen :
Artikel 1 - Verbod van vrijheidsbeneming wegens schulden Aan niemand mag zijn
vrijheid worden ontnomen op de enkele grond dat hij niet in staat is een
contractuele verplichting na te komen.
Artikel 2 - Vrijheid van verplaatsing
1.Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen
dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn
verblijfplaats te kiezen.
2.Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te
verlaten.
3.De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden
gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving
noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare
veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van
strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden
of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
4.De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven
gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en
gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische
samenleving.
Artikel 3 - Verbod van uitzetting van onderdanen1.Niemand mag, bij wege van een maatregel van individuele of collectieve aard,
worden uitgezet uit het grondgebied van de Staat, waarvan hij een onderdaan
is.2.Aan niemand mag het recht worden ontnomen het grondgebied te betreden van
de Staat, waarvan hij een onderdaan is.
Artikel 4 - Verbod van collectieve uitzetting van vreemdelingen Collectieve
uitzetting van vreemdelingen is verboden.
Artikel 5 - Territoriale werkingssfeer
1.Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan, ten tijde van de ondertekening of
van de bekrachtiging van dit Protocol of op ieder tijdstip nadien, aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een
verklaringdoen toekomen, waarin wordt medegedeeld in hoeverre zij zich verbindt
de bepalingen van dit Protocol eveneens te doen gelden voor die in de verklaring
genoemde gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk
is.
2.Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die krachtens het vorige lid een
verklaring heeft overgelegd kan van tijd tot tijd een nadere verklaring
overleggen, waarbij het gestelde in een voorgaande verklaring kan worden
gewijzigd of waarbij de toepassing van de bepalingen van dit Protocol met
betrekking tot een bepaald gebied wordt beëindigd.
3.Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit artikel wordt geacht te zijn afgelegd
overeenkomstig lid 1 van Artikel 56 van het Verdrag.
4.Het gebied van een Staat waarvoor dit Protocol geldt krachtens bekrachtiging
of aanvaarding door die Staat en ieder gebied waarvoor dit Protocol geldt
krachtens een door die Staat ingevolge dit artikel afgelegde verklaring, worden
voor de toepassing van de Artikelen 2 en 3, in zover deze gewagen van het grond
gebiedvan een Staat, als afzonderlijke grondgebieden
aangemerkt.
5.Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met het
eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één of
meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat hij de
bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van
natuurlijke personen, niet-gouvernementele organisaties of groepen personen,
bedoeld in Artikel 34 van het Verdrag,ten aanzien van de Artikelen 1 tot en met
4 van dit Protocol of één of meer van deze artikelen.
Artikel 6 - Verhouding tot het Verdrag De Hoge Verdragsluitende Partijen
beschouwen de Artikelen 1 tot en met 5 van dit Protocol als aanvullende
artikelen van het Verdrag en alle bepalingen van het Verdrag zijn
dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 7 - Ondertekening en bekrachtiging
1.Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de Leden van de Raad van
Europa die het Verdrag hebben ondertekend; het wordt bekrachtigd tegelijkertijd
met of na de bekrachtiging van het Verdrag. Het treedt in werking na de neder
legging van vijf akten van bekrachtiging. Met betrekking tot iedere
ondertekenaar die het daarna bekrachtigt treedt het Protocol in werking op de
dag van de nederlegging vande
akte van bekrachtiging.
2.De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij
de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die
aan alle Leden kennis geeft van de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.Ten blijke waarvan de
ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.GEDAAN te Straatsburg, de 16e september 1963,
in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek,
in een enkel exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd
in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal
zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan elk van de ondertekenende
Staten.
Protocol Nr. 6 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstrafDe
Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol
bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot Bescherming van de
Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna te noemen"het
Verdrag") hebben ondertekend,Overwegende dat de ontwikkeling die in
verscheidene Lid-Staten van de Raad van Europa heeft
plaatsgevonden een algemene tendens in de richting van afschaffing van de
doodstraf tot uitdrukking brengt,Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 - Afschaffing van de doodstraf De doodstraf is afgeschaft. Niemand
wordt tot een dergelijke straf veroordeeld of terechtgesteld.
Artikel 2 - Doodstraf in tijd van oorlog Een Staat kan bepalingen in zijn
wetgeving opnemen waarin is voorzien in de doodstraf voor feiten, begaan in
tijd van oorlog of onmiddellijke oorlogsdreiging; een dergelijke straf wordt
alleen ten uitvoer gelegd in de gevallen die zijn neergelegd in de wet, en in
overeenstemming met de bepalingen daarvan. Deze Staat deelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de
desbetreffende bepalingen van die wet mede.
Artikel 3 - Verbod van afwijking Afwijking van de
bepalingen van dit Protocol krachtens Artikel 15 van het Verdrag is niet
toegestaan.
Artikel 4 - Verbod van voorbehouden Het maken van enig voorbehoud met
betrekking tot de bepalingen van dit Protocol krachtens Artikel 57 van het
Verdrag is niet toegestaan.
Artikel 5 - Territoriale werkingssfeer
1.Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging,aanvaarding of goedkeuring het grondgebied of
de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van toepassing is.
2.Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte
verklaring, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de
verklaringaangewezen grondgebied. Met betrekking tot dat grondgebied treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop
die verklaring door de Secretaris-Generaal is
ontvangen.
3.Iedere overeenkomstig de twee vorige leden afgelegde verklaring kan, met
betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken
door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de
Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de
eerste dag van de maand volgende op de datum waarop die kennisgeving door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
Artikel 6 - Verhouding tot het Verdrag Tussen de Staten die Partij zijn, worden
de Artikelen 1 tot en met 5 van dit Protocol als aanvullende artikelen op het
Verdrag beschouwd; alle bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van
toepassing.
Artikel 7 - Ondertekening en bekrachtiging Dit Protocol staat open voor
ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van
Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd,
aanvaard of goedgekeurd. Een Lid-Staat van de Raad
van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren, tenzij
die Staat tezelfdertijd of eerder het Verdrag heeft bekrachtigd. De akten van
bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd
bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 8 - Inwerkingtreding1.Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag
van de maand volgende op de datum waarop vijf Lid-Staten
van de Raad van Europa hun instemming door het Protocol gebonden te worden tot
uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in Artikel 7.2.Met
betrekking tot iedere Lid-Staat die later zijn
instemming door het Protocol gebonden te worden tot uitdrukking brengt, treedt
dit in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop deakte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.
Artikel 9 - Taken van de depositaris De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten van de Raad kennis van:
a. iedere ondertekening;
b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging,
aanvaarding of goedkeuring;
c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig de
Artikelen 5 en 8;
d. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Protocol.Ten blijke waarvan de
ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.GEDAAN te Straatsburg, op 28 april 1983, in de
Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een
enkel exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd in
het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan iedere Lid-Staat van de Raad van Europa.
Protocol Nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van deMens en de Fundamentele VrijhedenDe
Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol
hebben ondertekend,Vastbesloten verdere stappen te nemen ter verzekering van de
collectieve waarborging van bepaalderechten en
vrijheden door middel van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de
Mens en deFundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome
op 4 november 1950 (hierna te noemen "het Verdrag"),Zijn het volgende
overeengekomen :
Artikel 1 - Procedurele waarborgen met betrekking tot de uitzetting van
vreemdelingen
1.Een vreemdeling die wettig verblijft op het grondgebied van een Staat wordt
niet uitgezet behalve ingevolge een overeenkomstig de wet genomen beslissing en
hem wordt toegestaan
:a. redenen aan te voeren tegen zijn uitzetting,
b. zijn zaak opnieuw te doen beoordelen, en
c. zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde instantie of bij
een of meer door die instantie aangewezen personen.
2.Een vreemdeling kan worden uitgezet vóór de uitoefening van zijn rechten
ingevolge het eerste lid, letters a,b en c van dit artikel, wanneer een zodanige
uitzetting noodzakelijk is in het belang van de openbare orde of is gebaseerd
op redenen van de nationale veiligheid.
Artikel 2 - Recht op hoger beroep in strafzaken
1.Iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft
het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen
door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de
gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
2.Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte
overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in
eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een
beroep tegen vrijspraak.
Artikel 3 - Schadeloosstelling in geval van gerechtelijke dwaling Wanneer
iemand wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld en het vonnis
vervolgens is vernietigd of wanneer hem daarna gratie is verleend, op grond van
de overweging dat een nieuw of pas aan het licht gekomen feit onomstotelijk
aantoont dat van een gerechtelijke dwaling sprake is, wordt degene die als
gevolg van die veroordeling straf heeft ondergaan schadeloos gesteld
overeenkomstig de wet of de praktijk van de betrokken Staat, tenzij wordt
aangetoond dat het niet tijdig bekend worden van het onbekende feit geheel of
gedeeltelijk aan hem te wijten is.
Artikel 4 - Recht om niet tweemaal te worden berecht of gestraft
1.Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure
binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij
reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en
het strafprocesrecht van die Staat.
2.De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van de zaak
overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat, indien er
aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er
sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst
van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden.
3.Afwijking van dit artikel krachtens Artikel 15 van het Verdrag is niet
toegestaan.
Artikel 5 - Gelijke rechten van echtgenoten Echtgenoten
hebben gelijke rechten en verantwoordelijkheden van civielrechtelijke aard,
zowel onderling alsin hun betrekkingen met hun
kinderen, wat betreft het huwelijk, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding
ervan. Dit artikel belet de Staten niet de in het belang van de kinderen
noodzakelijke maatregelen te nemen.
Artikel 6 - Territoriale werkingssfeer
1.Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van neder legging van
zijn akte van bekrachtiging,aanvaarding of goedkeuring het grondgebied of de
grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van toepassing zal zijn, alsmede de
mate aangeven waarin hij zich ertoe verbindt de bepalingen van dit Protocol van
toepassing te doen zijn op dit grondgebied of deze grondgebieden.
2.Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte
verklaring, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de
verklaringaangewezen grondgebied. Met betrekking tot dat grondgebied treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken
van een tijdvak van twee maanden na de datum waarop die verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
3.Iedere overeenkomstig de twee vorige leden afgelegde verklaring kan, met
betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken
of gewijzigd door middel van een aan de Secretaris-Generaal
gerichte kennisgeving. De intrekking of wijziging wordt van kracht op de eerste
dag van de maand volgende op het verstrijken van een tijdvak van twee maanden
na de datum waarop die kennisgeving door de Secretaris-Generaal
is ontvangen.
4.Een overeenkomstig dit artikel afgelegde verklaring wordt geacht te zijn
afgelegd overeenkomstig Artikel 56,eerste lid, van het Verdrag.
5.Het grondgebied van iedere Staat waarvoor dit Protocol van toepassing is
krachtens bekrachtiging,aanvaarding of goedkeuring door die Staat en elk
grondgebied waarvoor dit Protocol van toepassing is krachtens een door die
Staat ingevolge dit artikel afgelegde verklaring kunnen, voor de toepassing van
de verwijzing in Artikel 1 naar het grondgebied van een Staat, als
afzonderlijke grondgebieden worden behandeld.
6.Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met het
eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één of
meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat hij de
bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van
natuurlijke personen, niet-gouvernementele organisaties of groepen personen,
bedoeld in Artikel 34 van het Verdrag,ten aanzien van de Artikelen 1 tot en met
5 van dit Protocol.
Artikel 7 - Verhouding tot het Verdrag Door de Staten die Partij zijn, worden
de Artikelen 1 tot en met 6 van dit Protocol als aanvullende artikelen op het
Verdrag beschouwd; alle bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van
toepassing.
Artikel 8 - Ondertekening en bekrachtiging Dit Protocol staat open voor
ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van
Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd,
aanvaard of goedgekeurd. Een Lid-Staat van de Raad
van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren, zonder
dat die Staat tezelfder tijd of voordien het Verdrag
heeft bekrachtigd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa.
Artikel 9 - Inwerkingtreding
1.Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op het
verstrijken van een tijdvak van twee maanden na de datum waarop zeven Lid-Staten van de Raad van Europa hun instemming door het
Protocol te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig het
bepaalde in Artikel 8.
2.Met betrekking tot iedere Lid-Staat die later zijn
instemming door het Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt
dit in werking op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van
een tijdvak van twee maanden na de datum waarop de akte van bekrachtiging,
aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.
Artikel 10 - Taken van de depositaris De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten kennis van:
a. iedere ondertekening;
b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging,
aanvaarding of goedkeuring;
c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig de
Artikelen 6 en 9;
d. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Protocol.Ten blijke waarvan de
ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben
ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, op 22 november 1984, in de Engelse en de Franse taal,
zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar, hetwelk
zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van
Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa
zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan iedere Lid-Staat
van de Raad van Europa.